Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 34.

macht slechts in aanmerking kan komen om de strekking van den eisch in het ware licht te stellen.

P. 35 reg. 6 v. b. — Toevoeging: Bij R. Mag. 1921 p. 350—355 vgl. Vrij in W. P. N. R. 2991 p. 269—270. — Bij 1.1. p. 353 noot 2 vgl. Hof Amsterdam 10 April 1923 W. 11068 (met noot 1 W. N., die ten onrechte Hof Amsterdam 12 Okt. 1910 W. 9083 als anders beslissend vermeldt), N. J. 1923 p. 967. Anders Hof Leeuwarden 10 Dec. 1924 W. 11302, N. J. 1925 p. 363 (bij weigering te betalen is er volgens het Hof geen geschil). In den geest van dat arrest ook Rb. Winschoten 12 Nov. 1924 N. J. 1925 p. 406, waarbij vgl. Red. A. R. no. 79 p. 4. Verder Ktg. Hulst 15 Maart 1926 W. 11588. Daarentegen in den geest van het Amsterdamsche arrest van 1923 nog Rb. Rotterdam 10 Maart 1925 W. 11397. — Het R. Mag. 1921 p. 358—360 tegen Duguit gezegde geldt in beginsel ook tegen zijn in den 2n dr. p. 313 gewijzigde voorstelling. Vgl. nog het door Vizioz in de Revue générale du droit 1929 p. 171—174 jis p. 162—164 tegen Hauriou aangevoerde.

P. 36 no. 8 i. f. — Toevoeging: Vgl. Kruseman in R. Mag. 1923 Suppl. p. 135—136.

P. 37 D. Eigendom.

P. 39 reg. 17—18 v. b. — Fleiner, 8e dr. p. 411—412.

P. 39 reg. 14 v. o. — Toevoeging: Vgl. M. M. v. Praag in W. v. G. 6 p. 49—51, in Gem.bestuur 7 p. 506—540, in zijn De Hinderwet (1928) p. 16—18 en in Themis 1929 p. 237—243. Zie boven bij Inl. R. O. p. 345 no. 76 B. — In de Themis 1.1. meent M. M. v. P. dat de regeling der Hinderwet strijdt met art. 154 Grw. (art. 148 Grw. 1848). Dit ten gevolge zijner onjuiste zienswijs dat B. en W. bij de toepassing der Hinderwet rechtspraak (en wel in burgerlijke zaken) uitoefenen. Hij citeert Asser—Scholten, Handl. N. B. R., 6e dr. (1927) die p. 111 de regeling der Hinderwet verkeerd acht, maar niet beweert, dat zij met de Grondwet strijdt.

Sluiten