Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJ

P. 72.

Amsterdam 26 Juni 191.1, beide in "VV. 9226, W. P. N. R. 2187, ook moeten zijn onderzocht of de rechterlijke macht competent was voor de vordering tot het bevelen eener ambtsdaad aan een notaris. Slechts dan steunde die competentie op art. 2 R. O., als men aanneemt dat art. 6, eerste zin, Not.wet den cliënt een burgerlijk recht geeft. — Hierbij wordt er van uitgegaan dat ook art. 289 Rv. ondergeschikt is aan art. 2 R. O., dus niet daarbuiten om gaat. — Ten aanzien van andere vorderingen tot bevelen aan ambtenaren zie Inl. R. O. p. 674 en R. O. p. 60, D no. 24.

P. 78 reg. 13 v. o. — Bij „ambtenaren" een noot: Behalve de hierop betrekkelijke bepalingen in de Pensioenwetten zie het nog in te voeren art. 3 Ambtenarenwet 1929 Stbl. 530, ten gevolge waarvan de in dit no. 2 vermelde jurisprudentie veel van haar belang verliest, doch vgl. art. 2 dier wet.

P. 77 reg. 4 v. o. — Toevoeging: e. Ktg. Amsterdam 28 Juli

1923 N. J. 1924 p. 476 was van meening dat een geschil over de vraag, of een politieagent, die krachtens gemeenteverordening voor zich en zijn gezin aanspraak heeft op kostelooze geneeskundige hulp, dientengevolge ook recht heeft op geheel kostelooze verpleging van zijn kind in een bepaald gesticht, als geschil over de uitvoering der verordening, loopt over een in art. 2 R. O. aangeduid onderwerp. De Kantonrechter zeide niet of hij een geschil over schuldvordering dan wel over een burgerlijk recht aanwezig achtte. Vgl. R. O. p. 71—72: geen geschil over schuldvordering in den zin van art. 2. En er was ook geen geschil over een burgerlijk recht, daar de verhouding der gemeente tot de politieagenten publiekrechtelijk is.

P. 80 reg. 10 v. o. — Na „1921" in te voegen: p. 393 noot 14 vgl. nog twee arresten RG. van 16 Juni 1922 E. Z. S. 105 p. 35 en 38. — Bij 1. 1. p. 399 vgl. nog Rb. Amsterdam 30 Juni

1924 W. 11235, N. J. 1924 p. 965; Rb. Leeuwarden 1 Juni 1922 W. 11005, N. J. 1923 p. 757; Ktg. Venlo 25 Okt. 1924

Sluiten