Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

BIJ

P. 163.

bepaling, die het tegendeel voorschrijft, aan te nemen dat de bepaling niet is nageleefd, indien uit het procesverbaal niets is op te maken aangaande de feiten met betrekking tot de naleving.

P. 164 reg. 8 v. o. — Toevoeging: Zoo voorts H. R. 1 Maart 1926 N. J. 1926 p. 355 kol. 1, van oordeel dat als het procesverbaal eener openbare zitting vermeldt: „de Kantonrechter bepaalt de uitspraak op deze terechtzitting, waarvan aanteekening hieronder" en die aanteekening volgt onmiddellijk met de handteekeningen van Kantonrechter en Griffier, er blijkt dat de uitspraak op dezelfde openbare zitting heeft plaats gehad. P. 166 reg. 8 v. b. — Toevoeging: en in W. 11718 p. 1, waartegen W. 11724 p. 7—8; vgl. W. 11728 p. 4, Maandbl. v. berechting en reclasseering 1927 p. 271—281 en voorDuitschland D. Jur. Zeit. 1928 kol. 796—799.

P. 166 reg. 11 v. b. — Toevoeging: 10. Zie Léon-v. Praag no. 31 op art. 14 A. B.

B. Gesloten deuren.

P. 166 reg. 4 v. o. — Toevoeging: H. R. 27 April 1925 W. 11415 (met noot D. S.), N. J. 1925 p. 716 nam, contra O. M., aan dat de in het procesverbaal der zitting vermelde mededeeling van den Voorzitter der Rechtbank dat de behandeling in het belang der zedelijkheid met gesloten deuren zal geschieden, niet moet worden beschouwd als die eener door dien Voorzitter eigener autoriteit genomen beslissing, maar is de door hem, als orgaan der Rechtbank, tot het publiek gerichte mededeeling dat de Rechtbank de behandeling met gesloten deuren heeft bevolen, al blijkt overigens niet van dat bevel. — D. S. is het eens met het O. M., omdat de Hooge Raad uitgaat van een onderstelling, die onjuist kan zijn. Vgl. H. R. 3 Dec. 1928 W. 11940 p. 3—4, N. J. 1929 p. 315 (implicite): niet de Voorzitter, maar de Rechtbank zelf moet het bevel tot het sluiten der deuren geven. — Dat is niet in strijd met het arrest van 1925. P. 167 reg. 13 v. o. — In plaats van „1921" lees nu: 1925.

Sluiten