Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 179.

of zoodanig onderzoek is ingesteld als voor een juiste beslissing noodig is.

P. 180 no. 3 i. f. — Toevoeging: Vgl. nog 6. Marty, La distinction du fait et du droit (1929) p. 88,185—187, 279—284, 350—351; Crépon (R. O. p. 546 v. o. geciteerd) III nos. 145—167; Perreau, Technique ... II p. 275—280; Fischer in Jabrb. f. Dogm. 38 p. 333 vv. — H. R. 5 Nov. 1926 W. 11590, N. J. 1926 p. 1326 (met noot P. S.) hield, contra O. M., bij de ontzetting eener moeder uit de voogdij voor onvoldoende een motiveering, waaruit niet kon worden afgeleid, welke feiten bewezen waren geacht, zoodat over de juistheid der ontzetting geen oordeel kon worden geveld. — Zie voorts H. R. 7 Juni 1929 W. 12027, N. J. 1929 p. 1491: aan art. 20 voldoet niet een arrest, dat op appèl van een interlocutoir dit handhaaft, zonder alle aangevoerde grieven te vermelden noch te zeggen waarom het meent dat die niet vermelde grieven, al waren zij gegrond, niet tot vernietiging zouden leiden.

P. 180 no. 4 i. f. — Toevoeging: Marty 1.1. p. 287—293. — Zie bij ons in strafzaken H. R. 30 April 1928 W. 11840 p. 3 kol. 1—2, N. J. 1928 p. 1023, bij onderlinge tegenstrijdigheid der in een vonnis gegeven beslissingen onvoldoende motiveering aannemend.

P. 181 no. 6 i.f. — Toevoeging: Vgl. nog, naar aanleiding van andere wetsartikelen, du Mosch in W. 11309 p. 4; v. d. Grinten in W. v. G. no. 10 (1°) en 5 no. 4 (1°).

Art. 21.

P. 182 no. 2 i. f. — Toevoeging: Bij gemeld arrest, in een strafzaak gewezen, vgl. voor burgerlijke zaken, Hof Noord-Holland 29 Nov. 1855 W. 1755, R. B. 1856 p. 274; verder de strafarresten H. R. van 1843 en 1849 in no. 4 geciteerd. Zie nader no. 1 b op art. 57 en vgl. het strafvonnis Rb. Amsterdam van 20 Dec. 1927 W. 11781.

P. 182 reg. 5 v. o. — Toevoeging: Vgl. H. R. (K. v. Sz.)

Sluiten