Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 194.

i. Ygl. Rb. Rotterdam 17 Mei 1929 N. J. 1929 p. 1302.

j. Ygl. de jurisprudentie op art. 88 C no. 15a (R. O. p. 356 357). P. 195 no. 3 i. f. — Toevoeging: c. Is een vordering van meer dan f 400 door het Hof in appèl voor het geval van nader bewijs slechts toewijsbaar verklaard tot een bedrag tusschen de f 200 en f 400, met verwijzing naar de Rechtbank, dan is deze aan 'sHofs beslissing gebonden, met gevolg dat zij dan heeft te oordeelen over een vordering beneden de f 400 en dat haar tweede vonnis dus niet appellabel is.

H. R. 10 Dec. 1925 W. 11444, N. J. 1926 p. 41, contra

Ó_ ji. De Proc.-Gen. zeide: het Hof heeft slechts beslist

dat de vordering voor het meerdere niet kon worden toegewezen, zoodat de Rechtbank over den oorspronkelijken eisch had te oordeelen. Daarentegen nam de Hooge Raad implicite aan dat eischers vordering tengevolge der beslissing van het Hof voor het meerdere dan het toewijsbaar geoordeelde van de baan was. Met het oog op de concl. O. M. is dit arrest te dezer plaatse opgenomen. Ygl. R. O. p. 506, no. 4 op ait. 54 no. 2.

d. Landraad Makasser 3 Juni 1925 Ind. Tijdschr. v. h. Recht 131 p 203 beoordeelde in zijn overwegingen de competentie naar de schuld- in plaats van naar de rechtsvordering. Deze laatste was door eischer verminderd, vgl. R. O. p. 225—226. P. 196 reg. 15 v. o. — Na „voor" in te voegen: minder dan P' 196 reg. 8 v. o. — Na „terecht" in te voegen: nu de rechtstitel niet was betwist (vgl. bij R. O. p. 353 v. o. no. 13 A) P. 196 reg. 6 v. o. — Na „competentie" in te voegen: Ygl. Inl.

R. O. p. 40, no. 17 en bij R. O. p. 357.

P. 198 B. Invloed der verwering op competentie en appelldbiliteit,

afqezien van artt. 38 no. 2 en 41.

P. 198 reg. 9 v. o. — Na „195" in te voegen: en het Supplem.

daarop.

P 199 reg. 2 v. b. — Na „11118;" in te voegen: Rb. Rotterdam 17 Mei 1929 N. J. 1929 p. 1302;

Sluiten