Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 437.

aan hetgeen z. i. aanvankelijk uit den inhoud van het te berde gebrachte geschrift blijkt, zonder onderzoek van rechtsvragen, die een diepgaande beoordeeling der contractsbepalingen in onderling verband doet rijzen. Hij mag dus niet den duideïïjken inhoud van het te berde gebrachte stuk van zijn effekt berooven en een overeenkomst aannemen, waardoor het stuk geen verlengde huur bewijst. Als bedoeld stuk den huurder veroorlooft de huur elk jaar te verlengen door niet vóór 1 Januari op te zeggen, mag de Kantonrechter dus niet dat stuk voor de beoordeeling zijner competentie ter zijde leggen op overweging dat de huur toch geëindigd is* doordat, de verhuurder haar heeft opgezegd en de huur anders voor onbepaalden tijd zou zijn aangegaan, terwijl dan de huurder haar zoo lang zou kunnen doen voortduren als hij wil. — Tegen dit vonnis zou men kunnen aanvoeren dat de verlengingsclausule vatbaar was voor de uitlegging: mits de verhuurder niet opzegt, met gevolg dat, staat die opzegging vast, uit het overgelegde stuk niet aanvankelijk blijkt van nog bestaande huur. Vgl. echter het Bossche vonnis van 1922 R. O. p. 437. — Zie verder 2° Ktg. Heerlen 4 Febr. 1927 W. 11720, N. J. 1927 p. 491: blijkt aanvankelijk uit het stuk van nog bestaande huur, dan mag ter beoordeeling der competentie niet worden onderzocht of het stuk door latere omstandigheden krachteloos is geworden; slechts als dit onmiddellijk en ontwijfelbaar in het oog springt, mag dan het stuk deswege worden ter zijde gesteld. — Deze laatste bijvoeging doet uitkomen dat in het voorafgaande enkel wordt uitgesloten een onderzoek van hetgeen nog niet vaststaat. Dat is m. i. juist. — Voorts vgl. 3° Ktg. Breda 21 Dec. 1927 N. J. 1929 p. 972 (de door gedaagde overgelegde korrespondentie. toonde aan dat eischer na beëindiging der eerste huur nieuwe huurtermijnen had ontvangen en tegen het z. i. te geringe bedrag had geprotesteerd).

P, 438 reg. 4 v. b. — Na „geacht" in te voegen: Zoo ook

Sluiten