Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 563.

W. 11880, N. J. 1928 p. 1379 (met noot 2 E. M. M., die jurisprudentie vermeldt); 7 Mei 1926 W. 11514 (met noot 2 S. B.), N. J. 1926 p. 818; 19 Febr. 1926 W. 11482 p. 1—2, N. J. 1926 p. 477; 26 Sept. 1923 W. P. N. R. 2892;

P. 563 reg. 9 v. o. — Na „partij" in te voegen: behalve verschillende der zooeven vermelde arresten,

P. 567. Art. 98.

P. 567 reg. 10 v. b. — Na „W. 1. 1." in te voegen: In gelijken zin H. R. 2 April 1928 W. 11825, N. J. 1928 p. 940 (met noot 1 P. S.), voor het eerste punt nog overwegend dat het ook zoo is, als het in het algemeen tegen het vonnis toegelaten rechtsmiddel (toen dat van hooger beroep) in een bepaald geval niet kan worden aangewend, b. v. omdat beschikt is overeenkomstig het verzoek van hem die de beschikking heeft verkregen, terwijl er geen andere belanghebbenden bij het hooger beroep zjjn. Voor dat geval ging naar de meening van het O. M. de leer van het arrest van 1907 niet op. Met die concl. O. M. is P. S. het eens, ook voor het geval dat partijen in een appellabel vonnis hebben berust. Hij en het O. M. bij den H. R. lieten dus de ratio van art. 98 gelden boven het systematische argument, door den H. R. ontleend aan art. 95, welk artikel ook de cassatie in het belang der wet beheerscht. Zie ook de concl. O. M. vóór H. R. 29 Jan. 1930 (bij R. O. p. 550 geciteerd) en de noot P. S. in N. J. 1930 p. 633—634. Gemelde concl. O. M. wilde de ontvankelijkheid van het beroep in cassatie in het belang der wet enkel beoordeeld zien naar art. 98, maar stelde niet de vraag of dit artikel ondergeschikt blijft aan art. 95 en onderzocht dan ook niet of art. 95 toepasselijk zou zijn geweest bij een gewoon beroep in cassatie, dat het O. M. echter uitgesloten achtte op den niet afdoenden grond dat het niet werd toegekend in de speciale wet, die toen ter sprake kwam. De noot P. S. sluit zich aan bij het O. M. en meent dat de H. R. implicite het

Sluiten