Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

«IJ

P. 767.

verweer juist was. M. i. had de Hooge Raad, die bij dit arrest van zijn vroegere jurisprudentie afweek, dat niet behoeven te doen en kunnen overwegen: wel is het verweer dat de vordering te hoog is een gemotiveerd verweer, maar het hangt van de omstandigheden in het gegeven geval af, of die motiveering voldoende is opdat eischer de strekking er van kan nagaan, dus of het verweer beantwoordt aan hetgeen de wet verlangt en daarom is hier de gegeven beslissing i. c. o.

P. 767 reg. 12 v. o. — Na „H. R." in te voegen: 30 Jan. 1925 W. 11370, N. J. 1925 p. 391 ;

P. 768 reg. 5 v.'b. en 9 v. o., p. 769 reg. 4 v. o., p. 771 reg. 15 v. b. en 5 v. o. — In plaats van „in § 4" lees respektievelijk: p. 321—322, p. 326—327, p. 327—330, p. 335—337 en p. 334—335, 337—340.

P. 770 al. 2 i. f. — Toevoeging: Over de houding, die het Hof van Cassatie ten aanzien der processtukken aanneemt vgl. Marty 1. 1. p. 327—328.

P. 772 reg. 8 v. b. — Toevoeging: H. R. 4 April 1929, bij R. O. p. 280 reg. 2 v. o. geciteerd, overwoog dat het Hof terecht op een vordering tot betaling van vreemd geld of van Nederlandsch geld tegen den koers van den dag, had aangenomen dat gedaagde kon volstaan met betaling van Nederlandsch geld tegen den koers van den dag der voldoening. Het O. M. had de beslissing van het Hof feitelijk geacht, maar H. d. J. leest dat ten onrechte ook in het arrest. Het is een juridische kwestie, al betrof zij de uitlegging der dagvaarding, maar er bestaat bij ons geen wetsbepaling, die de oplossing aangeeft. Vgl. W. P. N. R. 2812 p. 621 kol. 1.

P. 774. Het bewijs voor den burgerlijken rechter.

P. 774 reg. 9 v. o. — Na „H. R." in te voegen: 21 Maart 1929 W. 12003, N. J. 1929 p. 920 (contra O. M., dat meende: de bedoeling van het Hof was toen meer dan de wet voor het hewijs te verlangen); 9 Dec. 1927 W. 11777, N. J. 1928

Sluiten