Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 774.

p. 331; 15 Jan. 1926 W. 11460 p. 1, N. J. 1926 p. 347; 11 Dec. 1925 W. 11445, N. J. 1926 p. 90; 6 Nov. 1924 W. 11310;

P. 775 reg. 7 v. o. — Na „H. R." in te voegen: 11 Dec. 1925, bij R. O. p. 774 geciteerd;

P. 776 reg. 14 v. o. — Na „39" in te voegen: oud

P. 779 reg. 3 v. b. — Na „1924" in te voegen: W. 11315, — Toevoeging aan dien regel: Vgl. Marty 1. 1. p. 181 (no. 105).

P. 779 reg. 7 v. b. — Na „1924" in te voegen: W. 11314,

P. 779 reg. 13 v. b — Na „H. R." in te voegen: 4 April 1929 W. 11975, N. J. 1929 p. 1344; 25 Mei 1928 W. 11848, N. J. 1928 p. 1327; 16 Maart 1928 W. 11807, N. J. 1928 p. 712 (bewijskracht eener boeking); 4 Maart 1926 N. J. 1926 p. 380;

P. 780 reg. 6 v. b. — Na „H. R." in te voegen: 1 Mei 1925 W. 11441, N. J. 1925 p. 583;

P. 780 reg. 15 en 13 v. o. — Na „H. R." in te voegen: 29 Maart 1928 W. 11815 p. 1 kol. 1—3, N. J. 1928 p. 723 (waarbij vgl. het slot der concl. O. M.). — Na „1718": Neemt men aan dat in burgerlijke zaken het testimonium de auditu niet door de wet is uitgesloten, dan is de beslissing over de daaraan toe te kennen bewijskracht in cassatie onaantastbaar. Wel meent E. M. M. in N. J. 1929 p. 1350 kol. 1 (noot op H. R. 4 April 1929) dat de Hooge Raad in cassatie regels daaromtrent • kan opstellen, maar hij werkt zijn meening niet nader uit. — "Vgl. bij R. O. p. 789 reg. 7 v. b. voor strafzaken.

P. 780 reg. 7 v. o. — Na „H. R." in te voegen: 16 April 1925 W. 11449, N. J. 1925 p. 649;

P. 783 reg. 2 v. b. — Toevoeging: Voor den suppletoiren eed vgl. H. R. 4 Maart 1926 N. J. 1926 p. 380 (vgl. bij R. O. p. 619). — De beslissing of er voor het opleggen van een suppletoiren eed voldoende bewijs is bijgebracht, is i. c. o.: H.R. 8 Maart 1928 W. 11841 p. 2 kol. 1—3, N. J. 1928 p. 705.

P. 783 no. 286 i. f. — Toevoeging: Vgl. Marty 1.1. p. 230—234.

Sluiten