Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 870.

vereffening geschiedt, is einduitspraak in de [voorafgegane] instantie.

Rb. Utrecht 4 April 1930 N. J. 1930, p. 639, Adv.bl. 13 p. 69.

Art. 9, f (5°).

Ygl. W. 11621 p. 8 kol. 1, 11630 p. 7—8. — Zie op art. 9, f ook W. 11920 p. 4 kol. 2.

Art. 11 lid 3.

Deze bepaling spreekt niet van den eersten rechtsdag. Heeft die dag al den ontwerper der bepaling voor oogen gestaan, dat doet niet af ten aanzien der conclusie van eisch in Kantongerechtszaken, waarvoor enkel het wetb. v. B. Rv. maatstaf is.

Ktg. Rotterdam 2 Aug. 1926 N. J. 1926 p. 909.

Art. 12.

1. Over de vraag of de voldoening der vaste som jaarlijks moet worden herhaald W. 11753 p. 4 kol. 1 onder 1°.

2. Over de strekking der woorden „aanhangig" in lid 1 en „schorsing" in lid 2 zie H. R. 5 Maart 1928 W. 11824, N. J. 1928 p. 650, in cassatie van Hof's-Gravenhage 28 Nov. 1927, waarbij was vernietigd Rb. 's-Gravenhage 8 Febr. 1927 (zie bij R. O. p. 293 reg. 9 v. o. en bij p. 866). — Vgl. N. J.bl. 2 p. 369.

Art. 13.'

P. 870 reg. 6 v. o. — Toevoeging: W. 11621 p. 8 kol. 1. — Met betrekking tot surséance van betaling zie naar aanleiding van artt. 13, 14 en 17 (4°) Rb. Rotterdam 19 Jan. 1928 W. 11863, N. J. 1928 p. 460, Adv.bl. 1928 p. 121. - Met betrekking tot een verzoekschrift, houdende verzet tegen een dwangbevel over griffierecht, zie Rb. Utrecht 4 April 1930, op art. 8 voorlaatste lid geciteerd.

Sluiten