Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Bij

P. 28.

P. 28 noot 39. — Toevoeging: Vgl. Huart in Staatsrechtelijke Opstellen voor Krabbe II p. 181—186; W. Jellinek, Verwalt.recht p. 145—146 ja p. 284; Meier-Branecke 1. 1. p. 280—233, 243—245; Roguin 1. 1. III p. 556-557 jis p. 613—616. — Vgl. hierna bij Grn p. 39 noot 69.

P. 28 noot 42. — Na „gezegde" in te voegen: p. 13—15.— Vgl. hetgeen hierop betrekking heeft in de opstellen Themis 1921 p. 382 vv. en 1922 p. 1 vv. Voorts Meier-Branecke 1. 1. p. 253—267.

P. 30 noot règ. 1. — Na „noot" in te voegen: Vgl. de sedert gewijzigde jurisprudentie van den Hoogen Raad (zie bij Grn p. 14 en de verwijzingen aldaar).

P. 30 reg. 5. — Na „1910" in te voegen: Zie ook C. R. 31 Dec. 1923 M. U. C. R. 9 p. 81 ja p. 79.

P. 31 noot 47 reg. 1. — Na „Vgl." in te voegen: Hof's-Grayenhage 11 Febr. 1926 W. 11481, N. J. 1926 p. 352, W. v. G. 5 p. 198 en daarbij Vos in W. v. G. 5 p. 193—194;

P. 31 noot 47 reg. 4. — Na „3638" in te voegen: E. J. Korthals Altes, De staatsaansprakelijkheid volgens de rechtspraak van den Conseil d'Etat in Frankrijk, diss. Amsterdam 1923 p. 185 jis p. 180—181. — Fleiner 8e dr. p. 338—340; RG. 29 April 1926 E. Z. S. 113 p. 301 (304—305), Belgische jurisprudentie vermeld in La Belgique judiciaire 1922 kol. 73—75, 84—88.

P. 31 noot 50. — Vóór „Vgl." in te voegen: Zie nu art. 127 Ambtenarenwet 1929 Stbl. 530, waarbij vgl. G.st. 4088 (1°).

P. 32 reg. 9 v. b. — Bij „beweert" een noot: Rb. Haarlem 26 Maart 1929 W. 12008 was van oordeel dat met een publiekrechtelijken betalingsdwang niet is overeen te brengen de slechts in het burgerlijk recht haar grond vindende verplichting tot rekening en verantwoording van het betaalde. — Over de toepasselijkheid van burgerrechtelijke bepalingen aangaande de rechtsbekwaamheid in het publieke recht Meier-Branecke 1. 1. p. 267—273.

Sluiten