Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

P. 114.

ciale Staten van Zuid- en Noord-Holland hebben 20 (21) December 1921 de in 1394 verleende vrijstelling van bundergeld afgeschaft. Vgl. daarover Rb. 's-Gravenhage 26 Nov. 1929 W. 12106.

P. 115. § 10. Toepassing van artt. 1302—1303 en 1354 B.W. bij publiekrechtelijke overeenkomsten.

P. 116—118. — Hierbij vgl. Meijers in W. P. N. R. 2884 (IV0).

P. 117 noot 215. — Fleiner 8e dr. p. 155 v. o. en p. 151'noot 11.

P. 118 noot 216. — Fleineb 8e dr. p. 153—154.

Y. Overeenkomsten tot afstand van publiekrechtelijke bevoegdheden. — Wijkt privaat recht voor publiek recht?

P. 119 noot 218. — Toevoeging: Rb. 's-Gravenhage 16 Maart 1922 W. 10992 was van oordeel dat een verbintenis van den Staat geen gebruik te zullen maken van een hem toekomende publiekrechtelijke bevoegdheid, in strijd is met de openbare orde en dus nietig. Tegen die opvatting vgl. Roguin 1.1. p. 520 no. 818, die er op wijst dat niet alle publiekrechtelijke bevoegdheden van openbare orde zijn.

P. 119 noot 220. — Toevoeging: Over eenzijdigen afstand van publieke rechten vgl. W. Jellinek, Verwalt.recht le dr. p. 205—207.

P. 120 noot 222. — Toevoeging: De in deze noot bedoelde tegenspraak is bij Sybenga hierom aanwezig, omdat hij publiekrechtelijke overeenkomsten niet erkent (Themis 1918 p. 33 vv.) en op hetgeen anderen zoo noemen het B. W., dus ook art. 1374 lid 3, direkt toepasselijk acht. Dit wordt anders, als men op dit laatste punt van hem afwijkt. Dan kan b.v. een in strijd met een vroeger contract der gemeente door haar uitgevaardigde verordening wel als onrechtmatige contractbreuk, maar niet als een onwettige verordening worden aangemerkt. Vgl. het geval, berecht door Rb. Breda 14 April 1925 W. 11586, N. J. 1926 p. 598, terecht de toen ingestelde terugvordering, die berustte op de bewering van onwettigheid

Sluiten