Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK VIII

)k voor den vorst begon die morgen onder den invloed van drukkende voorgevoelens; men kon ze uit zijn ziektetoestand verklaren, maar hij was zoo onbepaald somber en dat vage was voor hem het martelendst van alles. Zeker, het waren schelle,

zware en honende feiten, die voor hem stonden, maar zijn droefenis had een dieperen oorsprong dan al wat hij zich herinnerde en overlegde; hij begreep, dat hij zich zelf alleen geen rust kon geven. Langzaam aan wortelde de verwachting in hem, dat er vandaag met hem iets bizonders en beslissends zou gebeuren. Het was een licht toeval geweest, dat hij den vorigen avond gehad had; behalve een hypochondrische stemming, een eenigermate zwaar hoofd en pijn in de ledematen, voelde hij geen verder ongemak. Zijn verstand werkte tamelijk nauwkeurig, al was de geest ook ziek. Hij was vrij laat opgestaan en herinnerde zich terstond helder wat den vorigen avond gebeurd was; en al wist hij het niet in bizonderheden, toch herinnerde hij zich ook, hoe men hem, een half uur na het toeval, naar huis had gebracht. Hij vernam, dat er al een bode van de Jepantschins bij hem geweest was, om naar zijn gezondheid te vragen. Om half twaalf verscheen een tweede; dit deed hem prettig aan. Een der eersten, die hem kwam bezoeken en haar diensten aanbieden was Wjera Lebedef. Op het eerste oogenblik, dat zij hem zag, brak zij in tranen uit, maar toen de vorst haar dadelijk tot bedaren bracht, lachte ze. Hij vond eensklaps iets ontroerends in het groote medelijden dat dit meisje hem betoonde; hij nam haar hand en kuste die. Wjera vloog op.

— Ach, wat doet ge, wat doet ge! riep zij in schrik uit, ijlings haar hand terugtrekkend.

Zij ging spoedig weg in een vreemde verwarring. Zij was er echter onderanderen nog toe gekomen te vertellen, dat haar vader vandaag, al bij het aanbreken van den dag, zich naar den „ontslapene," zooals hij den generaal noemde, had

Sluiten