Geen zoekvraag opgegeven

Tekst
Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zien te verkeeren. Voor zij wegging liep zij even bij den vorst binnen. Hij zat aan de tafel, met beide elbogen erop leunend en zijn gelaat met zijn handen bedekkend. Zij kwam zachtjes bij hem en raakte zijn schouder aan; hij keek verwonderd naar haar op en scheen in het eerste oogenblik niets te beseffen; maar toen hij weer tot zichzelf kwam en alles begreep, maakte zich dadelijk een heftige ontroering van hem meester. Het eind van alles was overigens een bizonder en dringend verzoek aan Wjera om hem morgenochtend om zeven uur, voor den eersten trein, te kloppen. Wjera beloofde dit; dan vroeg de vorst haar nadrukkelijk om dit aan niemand mee te deelen; dat beloofde zij ook en toen zij eindelijk de deur al geheel geopend had om heen te gaan, hield hij haar nog een derden keer tegen, nam haar handen, kuste die, kuste haar dan op het voorhoofd en zei met een „ongewoon" voorkomen: „tot morgen!" Zoo heeft Wjera tenminste later verteld. Zij ging heen in grooten angst om hem. Den anderen morgen werd ze wat gerustgesteld toen ze volgens afspraak aan zijn deur klopte en hem meedeelde, dat de trein naar Petersburg over een kwartier zou vertrekken ; het scheen haar, dat hij haar geheel monter en zelfs met een glimlach opendeed. Hij had zich 's nachts bijna niet uitgekleed maar toch geslapen. Hij rekende erop dat hij denzelfden dag nog zou terugkomen. Een feit was dus, dat hij het niet mogelijk of noodig had gevonden om aan iemand anders behalve aan haar op dat oogenblik mee te deelen, dat hij naar de stad reisde.

Sluiten