Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

HOOFDSTUK II. Het ontstaan van verbintenissen.

§ 14. De eerste titel van het derde boek B. W. handelt over verbintenissen in het algemeen. Als richtsnoer voor de verdere indeeling van dit deel van het wetboek begint het met een opsomming van de wijzen, waarop verbintenissen kunnen ontstaan.

Een verbintenis kan ontstaan, hetzij uit eene overeenkomst, hetzij uit de wet. Aldus art. 1269 B. W. Op deze onderscheiding is het algemeene deel van het derde boek verder opgebouwd. Na dezen eersten titel, die over verbintenissen handelt, ongeacht uit welke bron zij voortvloeien, volgen twee titels waarvan de eene meer in het bijzonder de overeenkomst behandelt, terwijl de andere de verbintenissen uit de wet bespreekt. Voor het overgrootste deel bevat deze derde titel — zooals wij boven reeds opmerkten — een regeling van enkele verbintenissen uit de wet, die elders niet goed konden worden ondergebracht. In zooverre behoort de inhoud niet tot het algemeene deel van het derde boek B. W. Voorop staan in den derden titel echter een paar bepalingen van meer algemeenen aard. Zij werken de onderscheiding, welke art. 1269 maakt, verder uit, v. z. v. de verbintenissen uit de wet betreft. Deze worden weer onderscheiden in a. verbintenissen uit de wet alleen en b. verbintenissen uit de wet tengevolge van 's menschen toedoen (art. 1388). Art. 1389 onderscheidt ten slotte deze laatste groep weer in 1. verbintenissen uit rechtmatige daad en 2. verbintenissen uit onrechtmatige daad.

Deze wetsbepalingen leiden aldus tot het maken van de volgende indeeling der bronnen van verbintenis:

overeenkomst wet

de wet tengevolge van de wet alleen

's menschen toedoen

rechtmatige daad onrechtmatige daad

Sluiten