Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zal men dus een scheiding zien maken tusschen fatsoensverplichtingen, die wél en fatsoensverplichtingen, die niet natuurlijke verbintenissen doen ontstaan.1 Indien men mag afgaan op de formuleering van het arrest van 1926, zal bij het maken van deze scheiding groote beteekenis worden toegekend aan de subjectieve opvattingen van den „natuurlijken" debiteur. Of dat echter zal zijn vol te houden, waag ik te betwijfelen. De rechter kan zich moeilijk de beslissing laten ontnemen over de vraag, of in bepaalde gevallen een moreele of fatsoensverplichting bestaat. 2 In ieder geval is het zeer goed mogelijk dat de rechtspraak op den duur slechts die fatsoensverplichtingen als natuurlijke verbintenissen zal beschouwen, welke wel niet geheel overeenkomen, maar toch groote gelijkenis vertoonen met de gevallen, waarin de wet het bestaan van een volwaardige verbintenis aanneemt. 3 Dat omgekeerd een overeenkomst met verboden oorzaak nimmer een verbintenis, ook niet een natuurlijke, doet ontstaan, is, ook na 1926, meer dan eens — ook door den H. R. — beslist. 4

Al zal dientengevolge het aantal verplichtingen, dat als natuurlijke verbintenissen wordt erkend, minder groot blijken, dan men aanvankelijk geneigd was aan te nemen na het arrest van 1926, toch blijft het verschil tusschen de historisch gefundeerde opvatting van de natuurlijke verbintenis en die welke de H. R. daarvoor in de plaats heeft gesteld, belangrijk.

1 Hetzelfde ziet men in Frankrijk, zie Peanioe-RipERT VII § 978—997 in het bijzonder § 985—991. Over de rol van den cassatierechter in dezé vragen zie men aldaar § 984.

2 Zoo wordt dan ook reeds in een arrest van het Hof Amsterdam van 29 Juni 1933, W. 12677, de subjectieve bedoeling van de erflaatster onvoldoende geoordeeld om een legaat als betaling eener natuurlijke verbintenis aan te merken.

3 Zoo nam de Rb. te Almelo 24 November 1926 (N. J. 1927, 156) j°. 4 Juli 1928 (N. J. 1929, 94) het bestaan van een natuurlijke verbintenis aan, om eenigermate te zorgen voor de vrouw, waarmede iemand gedurende verscheidene jaren in concubinaat had samengeleefd. Men kan dat een alimentatieplicht na een schijnhuwelijk noemen. Iets dergelijks m Rb. Groningen 25 Febr. 1927 (N. J. 1927, 466), waar voor een niet erkend natuurlijk kind een alimentatieplicht aanwezig werd geacht tegenover de moeder, die jaren lang voor het kind had gezorgd. Verder gaat echter Rb. Utrecht 3 Dec. I93o (W. 12237; N. J. 1931, 1306) die het bestaan van een natuurlijke verbintenis aannam om een ouden knecht te pensioneeren.

4 H. R. 10 Maart 1933, W. 12590; N. J. 1933 blz. 804.

Sluiten