Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 21. Het is daarom van belang na te gaan of men die uitgebreidere beteekenis wellicht op andere gronden dan historische kan verdedigen.

De historische interpretatie toch is niet de eenig mogelijke. Zou b.v. blijken, dat slechts een ruimere opvatting van het begrip natuurlijke verbintenis, dan die welke door historisch onderzoek is verkregen, zich met het systeem onzer wet zou verdragen, dan zou men, ook naar mijne meening, gerechtigd, wellicht zelfs verplicht, zijn die ruimere opvatting te aanvaarden. Men zou dan voor de keus staan tusschen twee door den wetgever uitgesproken denkbeelden, waarvan het eene incidenteel, door het gebruik van een enkel woord, tot uiting kwam, terwijl het andere, uit den opbouw en talrijke bepalingen der wet blijkende, als een der fundamenteele opvattingen van ons recht zou moeten gelden. In dat geval zou de keus m. i. niet moeilijk zijn en zou het woord „natuurlijk" ondanks zijn geschiedenis, moeten worden aangepast aan die fundamenten van ons recht. Doch het tegendeel is waar. De ruime opvatting van het begrip natuurlijke verbintenis is met ons recht in strijd en ondermijnt daarvan juist de grondslagen.1 Positieve strijd bestaat allereerst met art. 1269 B. W., dat als bronnen der verbintenis de overeenkomst en de wet noemt. De historische en beperkte opvatting van de natuurlijke verbintenis blijft daarmede in overeenstemming, de ruime is daarmede niet te vereenigen. Strijd is er ook met art. 228 B. W., dat beschikkingen-om-niet tot belooning van bewezen diensten als giften qualificeert. Sterker nog zijn de moeilijkheden die men zou krijgen bij de toepassing van art. 1377 B. W. Indien een debiteur, die op springen staat, het nog in kas zijnde geld gebruikt, om allerlei „natuurlijke" verbintenissen te voldoen, zouden zijn crediteuren dat hebben te erkennen en op art. 1377 zich niet kunnen beroepen. Deze handelingen toch zouden „betalingen" zijn en niet „onverplicht" geschied. Gaat de debiteur failliet, dan zal de curator evenzeer machteloos staan. 2 Erfgenamen kunnen geen inkor-

1 Zie daaromtrent vooral de artikelen vanMEYERS in W. P. N. R. 2963—65.

2 Mogelijk zal de rechtspraak weigeren deze consequenties te aanvaarden. Daartoe bieden — voor wat de Pauliana betreft — de opmerkingen van Suyeing (ii, § 32) een uitweg.

Sluiten