Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

dergelijke beschouwingen trouwens veel van hun beteekenis.

Art. 1395 stelt den eisch, dat de voldoening van de natuurlijke verbintenis „vrijwillig" zij gedaan. Alleen in dat geval verbiedt de wet de terugvordering. Men heeft1 dit zóó opgevat, dat de debiteur dus moet hebben geweten, dat de schuld, waaraan hij voldeed, een natuurlijke is, m. a. w. dat hij geen dwang behoef de te vreezen. Of dit juist is, komt van zelf aan de orde bij een latere bespreking van de verbintenissen uit de wet, waarbij natuurlijk ook de condictio indebiti meer in bijzonderheden besproken zal worden. Ook hierop ga ik thans niet in. Tot het onderwerp, dat hier besproken werd : de aard en de oorsprong der natuurlijke verbintenis, staat het slechts in verwijderd verband. Hier zij alleen, als slotsom van het voorgaande, nog eens uitgesproken, dat de moraal, naar ons recht, niet als een rechtstreeksche bron van verbintenissen kan worden beschouwd en dat dus, in dit opzicht, aan art. 1269 ook geen onvolledigheid kan worden verweten. De tegenovergestelde opvatting der rechtspraak schijnt in strijd zoowel met de historie van het begrip „natuurlijke verbintenis", als met het systeem onzer wet.

Ten slotte zij vermeld, dat de H. R. heeft uitgesproken 2, dat ook een rechterlijke uitspraak de bron van een verbintenis kan zijn. Mij schijnt dat niet juist, doch dit punt wordt later besproken. Doch ook indien deze stelling juist moet worden geacht, zou zij m. i. niet met het wettelijke systeem omtrent het ontstaan van verbintenissen in strijd komen, doch zou zoon verbintenis ontstaan zijn uit de wet.

1 Zoo b.v. Suywng II § 31.

2 29 Dec. 1921, N. J. 1922 blz. 225; W. 10845; dezelfde opvatting ligt opgesloten in het arrest van 13 Nov. 1914. N- J- I915. 78; w- 9810.

Sluiten