Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

om den eigendom op de tegenpartij te doen overgaan ?

Art. 671, zoo voert men tegen deze mogelijkheid aan, eischt bepaaldelijk een acte. Dat zij grif toegegeven. Eveneens dat een vonnis niet is en nooit kan zijn een acte in den hier bedoelden zin.1 Doch daarmede is de gestelde vraag niet beslist. Zij is juist of ons verbintenissenrecht, in verband met ons executierecht, al dan niet toelaat op art. 671 een uitzondering te maken, indien een verbintenis tot het opmaken van zoo'n acte bestaat. De Hooge Raad ontkent het2 en weigert het vonnis de plaats van de acte te doen innemen, zich daarbij beroepende op art. 1275-

Tegenover deze zienswijze van den Hoogen Raad beroept men zich vaak op het feit, dat de rechter toch ook wel bevelen pleegt te geven tot handhaving van zakelijke rechten. De in zijn genot gestoorde eigenaar of zakelijk gerechtigde vraagt en verkrijgt geregeld in het te zijnen voordeele gewezen vonnis op grond van art. 1277 B. W., de machtiging, om zich zelf „desnoods met behulp van den sterken arm" weer in het volle genot van zijn recht te stellen, vaak ook om de daartoe te maken kosten op zijn tegenpartij te verhalen „op eenvoudig vertoon der quitanties". V. z. v. men daardoor wil betoogen, dat de rechter soms wel executiemiddelen kan toestaan, welker aanwending in het Wetboek van Burgerlijke Rechtsvordering niet zijn geregeld, mogelijk zelfs niet genoemd, treft deze verwijzing zeker doel. Doch men maakt het zich te gemakkelijk als men daaruit nu aanstonds de conclusie trekt, dat de rechter dus ook wel, waar de wet een partijverklaring vordert, daarvoor een vonnis in de plaats kan stellen. Daartoe verschillen de beide gevallen te zeer. Bij de zakelijke rechten treft de rechter maatregelen om bestaande rechtsverhoudingen te handhaven ; hier zouden zijn maatregelen evenwel strekken om in de bestaande rechtsverhoudingen wijziging te brengen. Uit de omstandigheid, dat de/rechter het eerste kan en mag doen, volgt niet, dat hij ook tot" het laatste bevoegd is.

1 Droogeeever Fortuyn in W. P. N. R. 2646.

2 Arrest van 23 Juni 1899, W. 7302 (HoeTink n°. 29). In dit arrest is de verplichting om mede te werken tot het opmaken der acte beschouwd als een verbintenis om te doen.

Sluiten