Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 42. De vraag of in een bepaald geval de omstandigheden zich voordoen, op grond waarvan volgens bovenstaande regelen niet behoeft te worden gesommeerd, wordt door den H. R., begrijpelijkerwijze, als van feitelijken aard beschouwd. De H. R. onderzoekt dus niet zelf of die omstandigheden zich voordoen. In dat opzicht is hij gebonden aan het oordeel van den lageren rechter. Indien deze het bestaan dier omstandigheden heeft vastgesteld — dus b.v. heeft beslist, dat een tijdsbepaling in een bepaalde overeenkomst kennelijk den debiteur verplicht op dien dag, niet later en ook niet vroeger, te praesteeren — dan bepaalt de H. R. zich tot het onderzoek der vraag of daaruit nu terecht is afgeleid, dat een ingebrekestelling overbodig is.1

§ 43. Niet in alle gevallen, waarin wegens niet-nakoming eener verbintenis schadevergoeding gevraagd kan worden, bleek een ingebrekestelling noodig. Nog minder is dit het geval indien de verplichting tot schadevergoeding niet is een subsidiaire verplichting, die voor de praestatie, waartoe de debiteur verbonden was, in de plaats treedt, doch waarin het betalen van schadevergoeding van den aanvang af de primair verschuldigde praestatie heeft opgeleverd, gelijk b.v. het ge"val is bij de vordering uit onrechtmatige daad. Art. 1279 spreekt dit ondubbelzinnig uit.

Dientengevolge verplichten ook inbreuken op zakelijke of andere absolute rechten tot schadevergoeding, zonder dat Van een sommatie sprake kan zijn. Zij alle leiden toch in ons recht tot een vordering uit art. 1401 B. W. Het kan trouwens ook niet wel anders zijn. De verplichtingen, welke de, den enkeling toekomende, absolute rechten aan zijn medeburgers opleggen, zijn van negatieven aard. Het is de verplichting de door dat recht gewaarborgde vrijheidssfeer van den rechthebbende niet te storen. Iedere inbreuk daarop is dus de schending van een verbintenis om niet te doen en zou ook als zoodanig reeds van ingebrekestelling zijn vrijgesteld. (Art. 1278 B. W.).

§ 44. De vorm der ingebrekestelling is in art. 1274 geregeld. Hij bestaat in een „bevel of andere soortgelijke acte." Dat met „bevel" een door den deurwaarder gedane aanzegging bedoeld

'Zie b.v. H. R. 28 Febr. 19x3; W. 9482; N. J. 1913, 589

Sluiten