Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eengekomen koopprijs en die, waarvoor, nadat de verkooper in verzuim was, de kooper zich elders van deze goederen heeft voorzien. Doch soms treft men ook een dergelijke wijze van schadeberekening aan, indien alléén schadevergoeding en niet tevens ontbinding wordt gevraagd, hetzij wegens onachtzaamheid van den eischer1, hetzij omdat ontbinding voor hem weer eigenaardige bezwaren zou medebrengen.

Stilzwijgend stelt de eischer zich op het standpunt, dat eigenlijk de overeenkomst reeds ontbonden is 2. Hij schrapt dus de beide praestaties tegen elkaar weg en vraagt als schadevergoeding het verschil tusschen zijn inkoopsprijs en den prijs, welke hij op het oogenblik der wanpraestatie elders betalen moet om het hem verschuldigde, doch hem niet geleverde, goed te verkrijgen.

Het is de vraag of ook dit geoorloofd is. Maakt de ged. geen bezwaar en zijn de pp. in dit opzicht een van zin, dan behoeft de rechter zich daarover het hoofd niet te breken. Maar de vraag wordt van belang, indien de gedaagde het verweer zou voeren, dat de eischer, door stilzwijgend te onderstellen, dat de overeenkomst reeds ontbonden is, in strijd komt met art. 1302 B. W., daar de eischer zich zoodoende het recht aanmatigt een ontbinding der overeenkomst tot stand te brengen, die niet door den rechter is uitgesproken en evenmin op een beding berust, waardoor 's rechters tusschenkomst onnoodig wordt verklaard. Inderdaad is dan ook op deze gronden tegen schadevergoedingsacties, in dezen vorm ingesteld, wel eens verzet gerezen 3, doch er zijn ook beslissingen, welke deze bezwaren niet deelen 4.

1 Zie b.v. het geval, beslist door het Hof te Arnhem bij arrest van 23 April 1919, N. J. 1919, 1091.

2 Zie MEYERS in W. P. N. R. 2597, blz. 371.

3 Zie rb. Arnhem, vernietigd door arrest Hof Arnhem van 23 April 1919, N. J. 1919, 1091. Het arrest deelt de overwegingen van het vonnis mede. Zie verder rb. Amsterdam, 1 April 1932, N. J. 1933, 975 en een nauw verwant geval in rb. 's-Hertogenbosch 12 Nov. 1920, N. J. 1922, 513.

4 Zie het in de vorige noot genoemde arrest van het Hof te Arnhem en rb. 's-Gravenhage 2 Maart 1920, W. 10775. Dit laatste vonnis werd bevestigd door een arrest van het Hof aldaar, welks inhoud te kennen is uit het arrest H. R. 9 Juni 1922 (W. 10944, N. J. 1922, 865), waarbij de, op andere gronden gevraagde, cassatie werd verworpen. De oorspronkelijke eisch werd in dit geval wel is waar afgewezen, doch op anderen grond en uit de verdere motiveering der uitspraken blijkt duidelijk, dat in het algemeen een schadeactie van deze structuur zeer goed mogelijk wordt geacht.

Sluiten