Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de pogingen, welke de Hooge Raad in de laatste jaren aanwendt, om daarin eenheid te brengen 1 schijnen slechts ten deele geslaagd.

§ 64.. Deze beperking der schade tot die, welke te voorzien is, is reeds een oud rechtsbeginsel. Niet minder oud is de daaraan onmiddellijk vastzittende vraag, of deze beperking alleen betreft de elementen, waaruit de schade is samen gesteld, dan wel ook den omvang der schade, m. a. w. het bedrag der schadeloosstelling. 2

Het laatste, zoo besliste de Hooge Raad, (arrest 27 Nov. 1919 j. n W. 10516; N. J. 1920, 70; Hoetink Theoretisch is deze V

zienswijze minstens evengoed te verdedigen als de tegengestelde3 ; practisch heeft zij echter het bezwaar, dat het thans voor den debiteur voordeeliger kan zijn een schadeloosstelling te betalen, dan zijn verplichtingen na te komen. 4

§ 65. Ad d. Ten slotte rijst de vraag, wat in art. 1283 onder arglist is te verstaan. „Arglist", in den in art. 1283 bedoelden zin, kan aanwezig zijn ook al bestaat niet het „oogmerk om schade toe te brengen", zoo besliste de H. R. 5 Is daarmede nu uitgemaakt, dat wij voor arglist niets meer behoeven te eischen dan het kleurlooze opzet, uit ons strafrecht welbekend, dat een

allen tijde kunnen inkoopen, dan zal zijn schade slechts in het prijsverschil bestaan. Mocht hij nog verdere schade lijden, dan heeft hij die aan zijn eigen stil zitten, dus aan zich zelf, te wijten.

1 Zie mijne artikelen in W. 12700—12702.

2 Zie Asser-van Goudoever blz. 189 e. v. en vooral de belangrijke noot van E. M. M. in W. P. N. R. 2626, bij het arrest van den H. R. 27 Nov. 1919 (W. 10516; N. J. 1920, 70; Hoetink n°. 54).

3 Beide partijen beroepen zich op Pothier. Indien deze aan dit punt bepaaldelijk gedacht heeft, dan kan men m. i. alleen zeggen, dat hij zich daaromtrent zeer weinig helder heeft uitgedrukt. Sterker is het dan nog om maar eenvoudig te zeggen, dat art. 1283 algemeen spreekt. De H. R. meent nog een ander argument te kunnen aanvoeren. Prijsstijging, zoo zegt de H. R., is zelf altijd weer het gevolg van een der schadeoorzaken, waarop het voorschrift van art. 1283 omnium consensu wèl slaat. Dat is wel waar, doch heeft toch niet tot gevolg, dat het onderscheid tusschen oorzaak en omvang van de schade niet te maken zou zijn, zooals de H. R. meent.

4 Mogelijk wil de H. R. een correctief aanbrengen door een ruime op vatting van „arglist" in art. 1283: zie daarover § 65.

5 Arrest 18 Mei 1923, W. 11094; N. J. 1923, 904.

v. Brakel, Verbintenissenrecht. 6

Sluiten