Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

echter, indien het een rentedragende schuld betreft? Indien het een schuld uit geldleening betreft, zou art. 1286 hier bij letterlijke toepassing tot rare consequenties en in ieder geval tot min of meer netelige vragen aanleiding kunnen geven. Gelukkig wordt art. 1286 voor dit geval geneutraliseerd door art. 1803, dat bepaalt, dat „bedongen interessen zijn verschuldigd tot de teruggave of consignatie der hoofdsom, zelfs indien de een of andere na den vervaltijd mogt hebben plaats gehad." Ondanks art. 1286 kan de crediteur, die zijn geld tegen 8 % heeft uitgeleend, in de hierboven onderstelde situatie, een eisch instellen tot betaling van f 1000 hoofdsom plus 8 % rente over dit bedrag sedert 1 Januari 1934 tot aan den dag der voldoening.1

Hoe zal het echter zijn, indien de schuld niet uit geldleening voortspruit, zoodat art. 1803 geen toepassing vindt? Een verkooper geeft zijn kooper b.v. uitstel van betaling, mits deze 5 of 6 % rente over deze koopsom betaalt. Zou dan de verkooper, bij afloop van den uitsteltermijn (hetzij door opzegging, hetzij doordat zij van den aanvang af is gefixeerd geweest), zijn recht op rente verliezen, om het, niet krachtens de overeenkomst, doch ex art. 1286, te herkrijgen bij het uitbrengen van een dagvaarding? Ook deze toepassing van art. 1286 ware verkeerd. Dat artikel is immers niet van openbare orde; partijen mogen er van afwijken. 2 En in het onderstelde geval draagt het rentebeding zoodanig karakter. De bedongen rente is daar juist een vergoeding voor het gemis van de hoofdsom, die, zonder dat verleende uitstel, aanstonds verschuldigd zou zijn geweest.

§ 69. Is art. 1286 ook toepasselijk, indien de verschuldigde geldsom zelf weer de schadevergoeding vormt, welke krachtens wanpraestatie of onrechtmatige daad verschuldigd is?

Dat lijdt geen twijfel. Art. 1286 toch onderscheidt niet tusschen

1 Men heeft de vraag geopperd, of niet art. 1286 in dit geval althans deze kracht had, dat over de hoofdsom + de voor de dagvaarding verschenen lente (dus over een bedrag van f 1080) sedert de dagvaaiding 5 % rente moest worden berekend, boven en behalve de 8 % over f 1000, welke krachtens art. 1803 ook na de dagvaarding blijft loopen. Zie J. M. JOEEES, Wettelijke Interessen, blz. 42 e. v. Deze vraag wordt echter terecht ontkennend beantwoord; een bevestigend antwoord zou den crediteur een dubbele vergoeding bezorgen. Art. 1803 zet art. 1286 geheel ter zijde.

2 Zie Diephuis X, blz. 111, zie ook Locré, XII blz. 331—2.

Sluiten