Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

belemmering, zoodat een belemmering, welke van tijdelijken aard schijnt te zullen zijn, ook slechts een schorsende, niet een opheffende, werking heeft op den praestatieplicht. Het kan echter zijn, dat de praestatie van zoodanigen aard is, of door partijen zoo omschreven, dat zij, na verloop van tijd gedaan, niet meer gezegd kan worden de handeling of leverantie te zijn, welke pp. op het oog hadden. Indien bij een koop van goederen beide partijen blijken te hebben begrepen, dat het er daarbij juist om ging, dat de goederen op een bepaald tijdstip in het bezit van den kooper zouden komen, zal ook een gering uitstel de praestatie voor den crediteur feitelijk waardeloos maken en zal de debiteur dit ook onmiddellijk begrijpen. In zulke gevallen zal overmacht, ook als die uitteraard tijdelijk is, onmiddellijk en voorgoed een einde aan den praestatieplicht maken. Is b.v. verkocht met beding van „prompte aflading", dan volgt daaruit, zoo werd meer dan eens beslist, dat overmacht eens en voor goed de verplichting doet vervallen.' 1 Hier bestond, en was tot uitdrukking gebracht in dat beding, een gemeenschappelijke partijbedoeling om de praestatieplicht niet te doen herleven. Zoo zal ook de bewoner van een huis aan de groote markt te Delft, die een kamer had verhuurd voor den begrafenisdag der Koningin-Moeder, doch die verplichting niet kon nakomen, b.v. omdat twee dagen te voren zijn huis afbrandde, niet verplicht zijn die kamer, nadat het huis zal zijn herbouwd, voor één dag ter beschikking van den huurder te stellen. Bij dit contract was het een essentiale, dat het juist op dien eenen dag, niet vroeger en niet later, zou worden uitgevoerd.

Het kan echter zijn, dat die bedoeling niet blijkt, doch, dat na het ophouden van de door den overmacht geschapen verhindering (een in- of uit-voerverbod loopt af; het door den oorlog onderbroken overzêesche verkeer wordt hervat), de bedrijfstoestanden geheel veranderd zijn, zoodat b.v. de bedongen prijs veel hooger of lager is dan de op dat oogenblik gangbare marktprijzen. Blijft ook in deze gevallen de debiteur tot praestatie verplicht? 2

~~ÏRb. Rotterdam 7 Febr. 1918, W. 10257, N. J 1918, 1044; " April 1918, N. T. 1919, 846. ..

2 Natuurlijk kunnen de omstandigheden zoo gewijzigd zijn, dat een nieuwe overmachtsoorzaak in plaats van de oude is gekomen. Dan bhjft er overmacht bestaan, zij het van anderen aard. De volgende beschouwingen gaan uit van de onderstelling, dat een zoodanige verlengmg van den overmachtstoestand niet heeft plaats gehad.

Sluiten