Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

voldoen, zal zich op overmacht kunnen beroepen, indien hij wordt aangesproken om de schade te vergoeden, welke van zijn stilzitten het gevolg is geweest. De overmacht belet hier niet het nakomen van den schadevergoedingsplicht, zoo deze bestaat, doch maakt, dat de geïncrimineerde handeling niet onrechtmatig was, zoodat een schadevergoedingsplicht nooit ontstond. De vraag wat hier-als overmacht kan gelden is analoog, aan de overmachtsvraag t. a. v. een contractueele verbintenis om te doen.

Vaker zal de onrechtmatige daad evenwel in een positief handelen bestaan. Dan bestaat er gelijkenis met de overtreding van een contractueele verbintenis om niet te doen. Gelijk daarbij het geval is 1 zal ook hier door den rechter, buiten de gevallen van directen dwang, een afweging van belangen plaats hebben om te beslissen, of het belang, dat door de daad gediend werd, zóó ver uitstak boven het gelaedeerde, dat overtreding der — in het algemeen geldende — norm gerechtvaardigd werd. De uit het strafrecht bekende leerstukken der (strafrechtelijke) overmacht, van de noodweer en het handelen in noodtoestand 2 zullen daarbij goede diensten kunnen bewijzen. 3

§ 104. Indien men overmacht gelijkstelt met afwezigheid van schuld, dan zijn met het bovenstaande vrijwel alle vragen aangeduid, die kunnen rijzen, indien bij een onrechtmatige daad van overmacht gesproken wordt. Evenwel heeft men ook aan de risicogedachte een plaats willen inruimen. Want niet minder dan t. a. v. contractueele verplichtingen drong t. a. v. de onrecht-

1 Zie hiervoor § 91.

2 Zie Mr. T. J. Noyon, Het Wetboek van Strafrecht, ad artt. 40 en 41 en Schoetens bekend proefschrift „Schadevergoeding buiten overeenkomst en onrechtmatige daad "(1899) blz. 103 e. v. Bij het handelen in nood betreedt men inderdaad een grensgebied. Meer dan eens vindt men dan ook, dat in zulke gevallen de dader, al is zijn daad niet onrechtmatig, toch de teweeggebrachte schade moet vergoeden, zie Schoeten, Hoofdstuk II en Hoofdstuk IV. Het zeerecht kent ook meer dan een geval van dezen aard. Al kwam dit in het oude zeerecht (zie daarover de aangehaalde hoofdstukken bij Scholten) meer voor dan in het nieuwe, dat zich nauwer aan het B. W. tracht aan te sluiten, toch zijn ook thans nog gevallen van dezen aard bekend; zie b.v. art. 358 K. Uit hetzelfde oogpunt kan men den omslag der schade bij de averij-grosse bezien.

3 Zoo worden de termen noodtoestand en overmacht b.v. gebezigd in het vonnis kantong. Amsterdam 7 Oct. 1931, N. J. 1932, 498.

Sluiten