Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

de verbintenis zelve volgt. Wie verbonden is moet betalen; op hem en op niemand anders rust deze verplichting.1 Dat is op zich zelf ook onbetwistbaar. Doch aanstonds rijst een andere vraag. Kan ook een ander in plaats van den schuldenaar betalen? En daaraan knoopen zich dan verder de vragen vast of de crediteur niet alleen bevoegd is met betaling door een derde genoegen te nemen, doch of hij daartoe ook verplicht is. Ten slotte: krijgt de derde, die betaald; door die betaling eenig recht tegenover den oorspronkelijken debiteur?

Dat de debiteur zijn schuld moet betalen is zoo onbetwistbaar en zoo algemeen erkend, dat de wet het niet eens noodig heeft geacht deze fundamenteele regel in deze afdeeling nog eens uitdrukkelijk te formuleeren. De wet begint in de artt. 1418 en 1419 onmiddellijk met de vraag, in hoeverre ook anderen die betaling geldig kunnen verrichten. Art. 1419 antwoordt op die vraag ontkennend, v. z. v. het betreft dié verbintenissen om te doen, welke recht geven op een praestatie, welke niet door een ander dan de debiteur verricht kan worden zonder van aard te veranderen. Wie zich aan een bekend chirurg toevertrouwt voor het uitvoeren van een gevaarlijke operatie, zou niet verkrijgen, wat hem toekwam, indien die chirurg de operatie door een zijner assistenten liet verrichten. Zoo zal het bijna altijd zijn, indien de praestatie in eenigszins belangrijke mate beïnvloed kan worden door de persoonlijke eigenschappen aan den debiteur. 'B

Is dit echter niet het geval en heeft de crediteur er dus geen, door den rechter als rechtmatig erkend^belang bij, dat de prae-

1 In hoeverre zij op zijne erven overgaat is in de eerste plaats een vraag naar den inhoud der verbintenis. Is de rechtsbetrekking tot het leven van den erflater beperkt, dan is van overgang op de erven alleen sprake t. a. v. de te voren ontstane verbintenissen. Blijft de rechtsbetrekking bestaan, dan kunnen daaruit, ook voor de erfgenamen weer nieuwe verbintenissen ontstaan. T. a. v. wien der erven dit plaats heeft, op wien reeds bestaande overgaan, of en hoe zij onder de verschillende erven worden verdeeld, dat alles zijn vragen van erfrecht.

2 Dat het anders is, indien de schuldeischer uitdrukkelijk toestemt in de vervanging van den debiteur door een ander, behoeft wel geen betoog en wordt dan ook in art. 1419 geheel ten overvloede in herinnering gebracht door de woorden „in weerwil van den schuldeischer".

3 Wie b.v. een vordering heeft opgekocht, om daardoor steun te geven aan zijn verzoek den debiteur te doen failliet verklaren, heeft er wel, in letterlijken zin, belang bij, dat deze vordering niet door een derde wordt voldaan, doch de rechter zal dit belang geen rechtmatig belang achten

Sluiten