Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

statie juist door den debiteur in persoon wordt verricht, dan kan ook een derde haar verrichten en is de crediteur ook verplicht daarmede genoegen te nemen. ^'Op eenigszins duistere en in ieder geval noodeloos omslachtige wijze wordt dit in art. 1418 gezegd.^ De onderscheiding tusschen hen, die wèl en hen die niet belang hebben bij de betaling is — anders dan het bij eerste lezing schijnt — daarbij van geenerlei belang.

§110. Wèl van belang is zij echter in ander opzicht. Hij die, zonder belanghebbende te zijn, eens anders schuld betaalt, delgt deze schuld alleen indien hij betaalt „tot kwijting van den schul-

en de kooper zal met betaling door een derde genoegen moeten nemen, al wordt hem daardoor dan ook de mogelijkheid benomen, zich op het onvoldaan laten der steunvordering te beroepen.

1 Dat dit laatste ook inderdaad ligt opgesloten in de beide artikelen, volgt uit het ,,in weerwil van den schuldeischer" in art. 1419. Hetzelfde moet, in gedachten, in art. 1418 worden ingelascht. Anders toch zou dit artikel geen beteekenis hebben. Men verwarre niet de verplichting om genoegen te nemen met betaling door een derde met de verplichting om de aangeboden betaling ook daadwerkelijk in ontvangst te nemen. Tot het eerste is de schuldeischer in den regel verplicht, tot het laatste niet (zie daarover § 48). Doch ook indien geen verplichting tot feitelijk aannemen bestaat, zal de crediteur het hem door een derde gedane aanbod als een wettig aanbod moeten beschouwen, dat de daaraan verbonden gevolgen heeft (zie hierna § 134) en zal, indien daarop consignatie is gevolgd, daardoor zijn vorderingsrecht tegenover den debiteur te niet gaan.

2 Art. 1418 onderscheidt in de eerste plaats tusschen hen, die wel en hen, die niet belang hebben bij de betaling, terwijl de laatste groep weer wordt verdeeld in hen, die namens den debiteur komen betalen en hen, die op eigen naam de schuld, die dus voor hen de schuld van een ander is, komen voldoen. Men zou dus verwachten, dat deze onderscheidingen eenigen invloed zouden hebben op de bevoegdheid tot betalen van eens anders schuld of op de verplichting van den crediteur deze aan te nemen. Het blijkt echter, dat al deze groepen geheel gelijk staan. Zij alle zijn bevoegd eens anders schuld te voldoen. De slotwoorden doen dan nog de vraag rijzen of wellicht een ander onderscheid bestaat, dat gelegen is in de mogelijkheid subrogatie te eischen. Ook dat verschil bestaat niet in ons recht. Subrogatie heeft plaats uit kracht der wet of uit overeenkomst (art. 1436). In het eerste geval behoeft men niets te eischen, in het laatste geeft een „eisch" niets, daar de vrijwillige toestemming des schuldeischers toch noodzakelijk blijft. Het is niets dan een nutteloos overblijfsel uit het oude recht, dat een „subrogation forcée" kende, waarop de belanghebbende derde betaler recht had, terwijl anderen zoo'n recht niet bezaten (zie Pothier, Obligations § 556—558). In den CC. werd deze obligation forcée echter vervangen door de subrogatie rechtstreeks uit en door de wet, zoodat de bijvoeging, welke in het systeem van Pothier inderdaad op een bestaand verschil in gevolgen de aandacht vestigde, in den C. C. alle beteekenis verloor.

Sluiten