Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

zij gedaan werd aan iemand, die krachtens wet of volmacht bevoegd was voor den schuldeischer te ontvangen, (art. 1421 zal wel niemand verbazen. Op dit beginsel wordt evenwel in tweeërlei opzicht een uitzondering toegelaten.

Ten eerste kan het v oorkomen dat aan den crediteur zelf is betaald, doch dat deze — b.v. omdat hij minderjarig is of onder curateele staat — niet bekwaam is om te ontvangen. Daar de beperking der rechten van de handelingsonbekwamen in hun eigen belang is gedecreteerd en tot doel heeft hen tegen de gevolgen van eigen onnadenkendheid enz. te beschermen, is het begrijpelijk, dat een betaling aan een onbekwamen crediteur gedaan den debiteur niet verder bevrijdt, dan voorzoover de betaling aan den onbekwame inderdaad is ten goede gekomen, hem heeft gebaat. 1 Hetzelfde geldt, indien betaling geschiedt aan iemand, die niet bevoegd was den crediteur te vertegenwoordigen. Ook zulk een „betaling" is slechts geldig tot het bedrag, waardoor de crediteur blijkt te zijn gebaat (art. 14212). En natuurlijk kan de crediteur ook achterna de betaling aan den niet-bevoegde goedkeuren. In dat geval wordt het er voor gehouden, dat de betaling aan een tot ontvangst gerechtigden vertegenwoordiger is geschied (eveneens art. 14212). Gelijk uit het bovenstaande volgt, gaat het er in de in art. 1421 behandelde gevallen in de eerste plaats om of de derde, die betaling ontving, al dan niet de vertegenwoordiger van den crediteur was. Daartoe is in de eerste plaats de realiter tusschen crediteur en dezen derde bestaande rechtsverhouding van belang. Volgt daaruit, dat de derde inderdaad ten deze krachtens wet of overeenkomst voor den schuldeischer mocht ontvangen, dan is de betaling in ieder geval geldig; ook indien die derde ten slotte de ontvangen gelden of goederen niet aan den crediteur zou hebben afgedragen. Bestaat echter tusschen crediteur en derde zoo'n rechtsverhouding niet, dan geldt juist het omgekeerde. De betaling is ongeldig en bevrijdt den schuldenaar niet, behalve voor zoover de crediteur door de praestatie is „gebaat".

Vaak is het niet gemakkelijk uit te maken of tusschen den crediteur en den derde eenige rechtsverhouding bestaat en van welken aard die is.

1 Dat is niet reeds het geval indien de onbekwame het geld of goed heeft in ontvangst genomen. Zie over het begrip „gebaat zijn" hieronder § 189, waar het bij de behandeling van art. 1487 nader wordt besproken. Vgl. ook art. 52 Fw.

Sluiten