Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

kan zich óf als rechtsopvolger van den schuldeischer óf uit eigen hoofde tot den debiteur wenden. Doch ook indien hij zoo'n eigen recht heeft, kan de subrogatie voor hem van groot gewicht zijn. Het kan b.v. zijn, dat de vordering van den crediteur door borgtocht of hypotheek verzekerd was, wat met de „eigen" vordering van den betaler niet het geval behoeft te zijn geweest. Ook kunnen de bewijsafspraken, welke de crediteur met den debiteur maakte, de positie van hem, die als gesubrogeerde optreedt, in een proces aanmerkelijk gemakkelijker maken, dan indien deze uit eigen hoofde ageert. Door de subrogatie verkrijgt de betaler dan het recht, zich op die zekerheden te verhalen en zich op die bewijsaf spraken te beroepen, hetgeen hij, uit eigen hoofde optredende, niet had kunnen doen.

§ 129. De subrogatie komt tot stand hetzij door overeenkomst, hetzij als rechtstreeks gevolg van een wetsbepaling. De volgorde der wet volgend, beginnen wij met de eerste. Twee gevallen worden besproken. Het eerste is dit, dat de crediteur, betaling ontvangende van een derde, dezen uitdrukkelijk zijn recht afstaat. De toestemming van den debiteur is daartoe niet noodig. Een acte of ander geschrift wordt daartoe niet vereischt.1 Evenmin geldt het voorschrift van art. 6682 aangaande de beteekening. Deze kan dan echter toch gewenscht zijn, nadat een contractueele subrogatie plaats vond. Zij belet een eventueel beroep op art. 1422 door den debiteur, die, onbekend met de betaling en met de door den derde verkregen subrogatie, den ouden crediteur nog eens zou hebben voldaan. Ook behoeft de vordering niet van bepaalden aard te zijn. Zelfs t. a. v. vorderingen van publiekrechtelijken oorsprong is subrogatie niet principieel verboden. 2 Twee bepalingen worden echter wèl gemaakt. De subro-

1 Om het bewijs der subrogatie mogelijk te maken is evenwel een schriftelijk stuk wel gewenscht. Veelal wordt zij dan ook vermeld in de quitantie, welke de betaler van den crediteur ontvangt.

2 Zie arrest H. R. 23 Dec. 1926, W. 11624; N. J. 1927, 213, waarin echter beslist werd, dat subrogatie in een zoodanige vordering onmogelijk is, indien die subrogatie zou medebrengen, dat de gesubrogeerde ter invordering zou kunnen gebruik maken van het recht van parate executie of een ander executiemiddel, dat alleen aan de overheid toekomt, en indien, omgekeerd, de overheid niet bezit en dus ook niet kan overdragen, de bevoegdheid om langs den gewonen weg tot inning te procedeeren.

Sluiten