Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den debiteur aan den gesubrogeerde toegekend. De bepaling dient slechts om hem een verweermiddel te geven tegen ongerechtvaardigde vorderingen van den debiteur of van de'hypotheekhouders, welk verweermiddel in den vorm van een gefingeerde vordering op den debiteur gegoten is. De kooper zou deze „vordering" zelf nimmer kunnen executeeren.1

Eindelijk wordt, krachtens art. 14383, uit kracht der wet gesubrogeerd hij, die „met anderen of voor anderen gehouden zijnde tot voldoening van een schuld belang had om dezelve te voldoen". In de eerste plaats zij er daarbij op gewezen, dat het intreden der subrogatie hier niet afhankelijk is gemaakt van twee voorwaarden n.1. i°. het met of voor anderen gehouden zijn, en 2°. een belang om de schuld te voldoen, doch dat de bepaling zoo moet worden gelezen, dat zij subrogeert hem, die belang had bij het betalen na eens anders schuld, omdat hij met dezen of voor dezen verbonden was. 2 Het „met of voor anderen verbonden zijn" is dus niet een tweede eisch, naast dien van het bestaan van een belang, doch een nadere omschrijving, waardoor duidelijk wordt gemaakt, waarin dit belang bestaan moet.

Wie behooren nu tot den kring van hen, die met of voor anderen tot voldoening van een schuld verplicht zijn? Van Bemmeeen 3 acht het een algemeene verwijzing, zonder zelfstandige beteekenis. Dit ware echter wel een zeer ondeugdelijke en overbodige wijze van wetgeving. Eerder valt dan ook aan te nemen, en dat wordt dan ook door vrijwel alle schrijvers gedaan, dat hier inderdaad door een korte formule de definitie is gegeven van een groep gevallen, welke door dit gemeenschappelijke element worden gekarakteriseerd en waarop daarom ook gelijkelijk de voorschriften,

1 De algemeene definitie van subrogatie, als bet treden in „de" rechten van den crediteur, wiens schuld is afbetaald, heeft er sommige auteurs toe gebracht aan te nemen, dat indien voor de afbetaalde schuld nog andere goederen nevens het verkochte verbonden waren, de kooper, die bij een tweeden verkoop niet zijn vollen koopprijs zou terugkrijgen, bevoegd zou zijn voor het restant deze andere goederen te gaan executeeren. Ook hier — evenals bij het in § 127 slot besproken geval — dient men zich evenwel door een enkele, al te korte, uitdrukking niet te laten weerhouden de bepaling overeenkomstig hare kennelijke bedoeling toe te passen. Zie Opzoomer VII blz. 84. Daartegen de dissertatie Mellink, De subrogatie van art. 14382 (1888).

2 Van Bemmelen, Regtsgeleerde Opstellen I, blz. 133.

3 A. W. blz. 134.

Sluiten