Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

II. AANBOD VAN GEREEDE BETALING.

§ 132. De crediteur is, zoo zagen wij hiervoor, slechts bij uitzondering verplicht tot het aannemen der praestatie. Maar, ook in geval zoodanige verplichting niet bestaat, kan het voor den debiteur van groot belang zijn, de praestatie te kunnen verrichten en zich zoodoende te bevrijden. Iemand, die geld heeft geleend tegen hooge rente, zal b.v. niet zonder reden verlangend zijn deze schuld af te doen, indien hem de gelegenheid geboden wordt tegen lager rente geld op te nemen. Hoe kan de schuldenaar, of de derde, die voor den schuldenaar betalen wil, de betaling echter verrichten en zich inderdaad bevrijden, indien de crediteur weigert het hem aangebodene aan te nemen? Hem dit mogelijk te maken is het doel van het aanbod van gereede betaling, gevolgd door consignatie, dat in de artt. 1440—1448 wordt behandeld.1

Het volledige en definitieve te niet gaan der verbintenis langs dezen weg komt tot stand door drie elkaar opvolgende maatregelen, die ieder hun eigen rechtsgevolgen hebben. Het zijn: het aanbod, de consignatie, de van waarde-verklaring. 2

§ !33- De artikelen 1440 en 1441 bespreken de beide eerste maatregelen in één adem en wekken den indruk, dat zij slechts te zamen eenig rechtsgevolg hebben. Dit is slechts in zooverre juist, dat slechts aanbod en consignatie te zamen den debiteur bevrijden (en dan nog onder een nader te bespreken voorbehoud), doch neemt niet weg, dat aanbod en consignatie twee wèl te onderscheiden maatregelen zijn, welke ieder hun eigen eischen hebben, en evenmin, dat ook een aanbod, dat niet door consignatie gevolgd wordt, rechtsgevolgen heeft.

De vereischten, waaraan het aanbod moet voldoen, zijn in art. 1441 opgesomd. 3 Zij spreken grootendeels voor zich zelf en be-

1 Men vergelijke daarbij het art. 794 Rechtsvordering, waar de formeele kant van dit rechtsinstituut nader wordt geregeld.

2 Over de hier behandelde afdeeling van den vierden titel zie men verder de desbetreffende onderdeden van het proefschrift van J. Wet, leumier, Het verzuim van den schuldeischer (1903).

3 Sommigen — b.v. Hofmann blz. 342 — leiden uit den aanhef van art. 1440 af, dat een aanbod, als hier bedoeld, eerst kan worden gedaan

Sluiten