Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wagen te sturen. Indien de tegenpartij op zoo'n nader voorstel ingaat, is door deze tweede overeenkomst tegelijkertijd een nieuwe verbintenis ontstaan en de oudere te niet gegaan.

Deze rechtsfiguur heet: schuldvernieuwing en wel, omdat het object der verbintenis veranderd wordt, objectieve schuldvernieuwing. Zulks in tegenstelling met een anderen vorm van schuldvernieuwing, waarover verderop zal worden gesproken, waarbij wijziging wordt gebracht in de personen, tusschen wie de verbintenis bestaat, en welke daarom als subjectieve schuldvernieuwing wordt aangeduid. Overeenkomsten van dezen aard bevatten niets, wat niet volgens het gewone contractenrecht geldig is. Ook indien de wet er geen woord aan had gewijd, zouden zij geldig zijn. Wat hen kenmerkt is, dat ze niet alleen een verbintenis doen ontstaan doch tevens een andere doen verdwijnen. Daarom werden zij in den vierden titel vermeld. En aan die vermelding knoopt de wet dan vast eenige bepalingen, welke in het bijzonder op overeenkomsten van dezen aard toepasselijk worden verklaard. 1 Voorzoover hier echter geen bijzondere voorschriften zijn gegeven, blijven uitteraard die, welke de overeenkomsten in het algemeen beheerschen 2, van toepassing.

§ 139. De omstandigheid, dat deze afdeeling eenige speciale regels bevat, welke alleen op schuldvernieuwingscontracten toepasselijk zijn, maakt het noodig, dat wij ons afvragen of ieder contract, waarbij een wijziging in een vorige verbintenis wordt aangebracht, al dan niet, tot deze groep moet worden gebracht. Naast de hierboven genoemde voorbeelden kan men andere stellen, waardoor slechts op een ondergeschikt punt wijziging wordt aangebracht, b.v. indien over de plaats of het tijdstip van levering iets naders wordt overeengekomen. Is ook dit een schuldvernieuwing, en zijn ook daarop de bepalingen van de artt. 1449 e. v. rechtstreeks van toepassing? 3 Onze wet staat duidelijk op

1 Wat niet belet, dat er daaronder ook zijn, die ook uit de gewone regels van contractenrecht kunnen worden afgeleid.

2 T. w. die van den tweeden titel van het derde boek, welke in een later stuk van dit werk zullen worden behandeld.

3 Van belang o. a. voor de vraag of zekerheden blijven bestaan dan wel vervallen (zie b.v. Hof den Haag 18 Febr. 1926, N. J. 1928, 1306). Het antwoord op de gestelde vraag kan bovendien ook processueele gevolgen hebben. Indien men moet aannemen, dat de oude verbintenis

Sluiten