Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Aanhangsel: De z.g. schuldoverneming.1

§ 148. Het komt vaak voor, dat iemand onderhands een met hypotheek bezwaard goed koopt en — in overeenstemming met den verkooper — de verplichting op zich neemt te zijner tijd het bedrag der op het goed rustende schuld aan den hypothecairen crediteur te voldoen en inmiddels daarvan ook rente te betalen. De verkooper, die als koopprijs zooveel minder ontving als de hypotheekschuld bedroeg, beschouwt zich dan als van die schuld te zijn ontslagen. De kooper heeft, zoo zegt men, de schuld „overgenomen". Een andere toepassing van hetzelfde denkbeeld ziet men vaak, indien iemand de affaire van een ander overneemt, of wel een bedrijf in een N. V. wordt ingebracht. De „kooper" van de „zaak" en de N. V. nemen dan ook zeer vaak de verplichting op zich de bestaande „zaakschulden" te voldoen.

Dergelijke transacties doen verschillende vragen rijzen. Ten eerste: zijn de crediteuren verplicht in zoodanige verwisseling van debiteur toe te stemmen? Dat beweert niemand. In ieder geval zal hun toestemming noodig zijn. 2

Ook indien deze echter is gegeven, heeft men twee vragen geopperd. Ten eerste: kan de crediteur nu rechtstreeks den „overnemer" (dus den kooper van het bezwaarde goed of van de zaak,

dan wel de opgerichte N. V.) : 1 li luiLhs aanspreken, en ten

tweede: kan de crediteur desondanks van den oorspronkelijken

1 Zie over dit onderwerp vooral de geciteerde opstellen vaia Naber ; voorts de reeds vermelde dissertatie van Gomperts en die van Canes,' Schuldoverneming. In de geschriften van Gomperts en Canes wordt dit vraagstuk evenwel m. i. noodeloos ingewikkeld gemaakt.

2 Zelfs indien deze toestemming gegeven is, heeft men echter de bestaanbaarheid, naar ons recht, van dergelijke overeenkomsten wel betwijfeld, zeggende, dat het begrip overeenkomst medebrengt, dat vervanging niet denkbaar zou zijn. Het is hier, waar de algemeene theorie der overeenkomsten nog niet behandeld is, niet de plaats daarop in te gaan. Er zij echter op gewezen, dat bij cessie en subrogatie óók vervanging van een der partijen plaats vindt, terwijl de verbintenis van den crediteur denzelfden inhoud behoudt. En dat ook vervanging van den debiteur met met de grondslagen van ons recht in strijd is, blijkt uit de artt. 864, 1595 en 1612. Het eenige wat men kan volhouden is, dat naar de grondslagen van ons recht, geen vervanging van personen mogelijk is dan krachtens wetsvoorschrift (zoo bij cessie, subrogatie, erfrecht of art 1354) of wel met toestemming der tegenpartij. (Dit laatste is erkend door den H. R. m het arrest van 29 November 1907, W. 8619; Hoetink n°. 105) En in de hierboven onderstelde casus-positie is aan dezen laatsten eisch voldaan.

Sluiten