Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

rechten en accijnzen zal men zelts rnogert aannemen, dat compensatie met andere, ook privaatrechtelijke, schulden wèl mogelijk is. De invordering van deze laatste belastingen wordt n.1. geregeld in de z.g. Algemeene Wet van 1822 \ die vasthoudt aan de opvatting, dat bij de heffing van dergelijke rechten de Staat in twee qualiteiten optreedt, als „fiscus", die als een particulier procedeert, en als overheid, die met een strafactie vervolgt. 2 Nu de wet zelf dit onderscheid streng doorvoert, mag men daaruit ook de consequentie trekken, dat in die „burgerlijke actie" een beroep op compensatie geoorloofd zal zijn, v. z. v. niet bijzondere wetsbepalingen daaraan in den weg staan.

§ 157. Behalve de in de voorgaande paragrafen besproken gevallen, oefent de aard der schuld geen invloed uit op de vatbaarheid eener vordering voor compensatie.

Wel echter stelt de wet in art. 1463 nog eenige eischen, waaraan de beide schulden moeten voldoen om door compensatie te niet te gaan. Deze eischen zijn van tweeërlei aard. Het zijn:

a. eischen met betrekking tot het object der praestatie;

b. eischen met betrekking tot de opeischbaarheid en vereffenbaarheid der vorderingen.

§ 158. a. Eischen betreffende het object der praestatie. De schulden moeten beide bestaan hetzij uit een som geld, hetzij uit een hoeveelheid gelijksoortige, vervangbare 3 zaken. Verbintenissen om te doen vallen er buiten. 4 En de compensatie van andere dan geldschulden komt practisch zóó weinig voor 5, dat wij er verder

1 Wet van 25 Aug. 1822, S. 38 over de heffing der rechten van invoer en der accijnzen.

2 Men zie daarover J. van der Poee, Wetgeving op in-, uit- en doorvoer en de accijnzen in het algemeen, 2e druk (1928) blz. 487; over het optreden van den Staat als „fiscus" van Praag, Op de grenzen van publiek- en privaatrecht blz. 35 e. v.

3 De wet spreekt van „verbruikbare" zaken. Dat dit een vergissing is, wordt algemeen erkend.

4 Wel kan het natuurlijk voorkomen, dat de beide schulden bestaan uit gelijksoortige w-aren, die een bepaalde bewerking moeten ondergaan (zie b.v. rb. Amsterdam 8 Maart 1927, n. J. 1928, 1014). Opzoomer (VII blz. 191) acht compensatie tusschen twee verbintenissen om te doen in beginsel niet uitgesloten.

5 Het eenige voorbeeld dat ik in de jurisprudentie vermeld vond is Hof Utrecht 12 Febr. 1844, W. 473. Zie ook rb. Amsterdam 8 Maart 1927, n. J. 1928, 1014.

Sluiten