Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 169. Men voert tegen de theorie van den Hoogen Raad ook wel een ander bezwaar aan.1 De gecedeerde vordering was, zoo zegt men, van den aanvang af „met een voor ontwikkeling vatbaar gebrek belast", hierin bestaande, dat zij, op het oogenblik waarop zij opeischbaar zou worden, tevens zou te niet gaan door het bestaan van een tegenvordering. Men kan wel cedeeren, zegt het Hof te Amsterdam 2, doch daarbij slechts overdragen wat men bezit en dat is niet de vordering tot haar totaal bedrag, doch slechts het recht, dat op het oogenblik der cessie reeds is beperkt door het recht van den gecedeerde om zich, zoodra de gecedeerde vordering opeischbaar wordt, op compensatie te beroepen.

Deze uitspraken gaan er van uit, dat de gecedeerde een recht had om zijn schuld niet door betaling, doch door compensatie te niet te zien gaan. Eerst als dat, van elders, vast staat, mag men echter bij de uitlegging van art. 1467 van deze grondstelling uitgaan. Deze grondstelling schijnt echter betwistbaar.

Wel kan men volhouden, dat sommige wetsartikelen (vooral art- 53 Ew.) niet alleen beoogen, onnoodige betalingen te voorkomen, doch ook welbewust toelaten, dat de crediteur van een niet solvabelen boedel door het feit, dat hij tevens debiteur is, in gunstiger conditie komt te staan dan zijn mede-crediteuren 3, maar dat blijft toch steeds een secundair gevolg. Dit gevolg nu is in sommige wetsbepalingen gelegitimeerd en v. z. v. die wetsbepalingen betreft kan men mogelijk van een recht op compensatie spreken. Doch men draait de zaak om, indien men nu dit recht op compensatie als den grondslag en het. doel van het geheele instituut gaat beschouwen. 4

1 Zoo Suyeing II, n°. 262. Vgl. ook de artikelen van J. E. Schoetens in W. P. N. R. 3147—3149.

2 Arrest 1 Febr. 1928, N. J. 1928, 1043, welk arrest vernietigd werd door het genoemde arrest van den H. R. d.d. 7 Febr. 1929, W 11957N. J. 1929, 885.

3 Zie hiervoor § 156.

4 Dit geschiedt door Bybau in zijn meergenoemd proefschrift. Moeengraaff (Fw. 277) schijnt denzelfden kant uit te willen gaan. De H. R. overwoog daarentegen in zijn meergenoemd arrest van 30 Oct. 1919, W. 10509, N. J. 1919, 1156, in dit opzicht m. i. volkomen terecht:

„dat nu wel bij pleidooi nog is opgemerkt, dat een schuldenaar, zichverbindende, menigmaal er op rekent, dat hij daardoor in de gelegenheid zal komen om schuldvorderingen, die hij op den wellicht minder

Sluiten