Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Een derde geval van dezen aard levert de reeds besproken compensatie tusschen arbeidsloon en schulden van den arbeider aan den werkgever. Art. 16382 gaat zeer duidelijk uit van de opvatting, dat hier den werkgever een bevoegdheid wordt gegeven, om binnen de grenzen, door de wet gesteld, een tegenvordering te doen gelden. 1

§ 173. In dit laatste geval is bovendien duidelijk, dat de compensatie naar beide kanten verschillend werkt. De beperking van de mogelijkheid een beroep op compensatie te doen, geldt slechts voor den werkgever, niet voor den arbeider. Dat kan hier ook zeer goed, omdat wij juist met een geval van facultatieve compensatie te doen hebben.

Minder gemakkelijk is in te zien, hoe datzelfde het geval zou kunnen zijn, ingeval niet een bevoegdheid bestaat om compensatie in te roepen, doch deze een gevolg van het gelijktijdig bestaan der schulden is. Men beweert wel, dat wij in art. 14653 een dergelijk geval zouden hebben en dat die bepaling wel den tot uitkeering van alimentatie verplichte zou beletten zich op het te niet gaan dier schuld door compensatie te beroepen, doch niet zou beletten, dat de tot alimentatie gerechtigde, aangesproken tot betaling van een vordering uit contract of onrechtmatige daad, zou kunnen antwoorden: die vordering bestaat niet meer, zij is door compensatie (met de alimentatieschuld) te niet gegaan. Een dergelijke constructie schijnt mogelijk, indien men altijd een beroep op compensatie eischt, doch moet m. i. worden verworpen, indien men zich aan den regel van art. 1462 wil houden. Dat een, tusschen dezelfde personen bestaande, schuld op een en hetzelfde oogenblik door den een als bestaand moet worden erkend en door den ander als te niet gegaan moet worden beschouwd is mij onbegrijpelijk. De wet geeft tot deze opvatting dan ook geen aanleiding. Zij zegt alleen, dat alimen-

1 Josserand (II, n°. 936') en Meyers in zijn noot onder het arrest vandenHoogen Raad van 9 Jan. 1931, W. 12256, N. J. 1931, 381, meenen, dat ook art. 14661 te verklaren is uit de opvatting des wetgevers, dat de (mede) schuldenaar, die zelf een tegenwordering heeft, op het bestaan daarvan een beroep moet doen om compensatie te doen intreden. Mij schijnt dat niet noodzakelijk.

Sluiten