Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

eischer, in hoe krachtige termen ook gedaan, zal nooit een andere beteekenis hebben, dan die van een aanbod, dat — zoolang het niet is aangenomen — kan worden teruggenomen en dat zal vervallen, indien, vóór de aanneming, de schuldeischer komt te overlijden. De erfgenaam van den schuldeischer, onder diens papieren een verklaring van kwijtschelding vindende, zal daarmede geen rekening behoeven te houden, tenzij deze verklaring in den vorm, voor een testament vereischt, is opgemaakt.

Dat daarentegen andere resultaten wórden bereikt, indien men aanneemt, dat kwijtschelding eenzijdig kan geschieden, behoeft wel geen uitvoerig betoog. Er is dus reden om zich te bezinnen over de keuze tusschen beide theoriën. Hoewel de overeenkomsttheorie in de rechtsgeleerde litteratuur de meeste aanhangers telt1 acht ik toch de andere juister.

Indien de wet niets omtrent deze vraag bepaalde, zou men m. i. kwijtschelding door een eenzijdige daad mogelijk moeten achten. De mogelijkheid van een eenzijdigen afstand van recht is op meer dan een plaats in ons recht erkend. Zoolang men niet pretendeert, door zoo'n afstand van recht tevens van verplichtingen te worden ontheven, is ook niet in te zien, welke reden er zou kunnen zijn anders te beslissen. Hoeveel te meer moet men dan tot die conclusie komen, nu de wet in de artt. 147^en 1478 uitdrukkelijk naast elkaar stelt de kwijtschelding en het „ont- * slag bij overeenkomst", als twee verschillende middelen van bevrijding, die hetzelfde resultaat hebben.2 Ondubbelzinnig volgt daaruit, dat kwijtschelding óók eenzijdig kan geschieden. Men pleegt zich ten gunste van de stelling, dat een overeenkomst noodzakelijk is, te beroepen op het feit, dat ook in Frankrijk deze opvatting vrijwel algemeen wordt aangehangen. Naar het schijnt is het de traditie 3, uit het Romeinsche Recht afkomstig, welke

1 Zie Hoffmann's opsomming van de auteurs en hunne meeningen (blz. 362).

2 Ware deze uitdrukking ééns gebruikt, dan zou men nog kunnen denken, dat de wetgever de woorden „of het ontslag bij overeenkomst" had toegevoegd als een definitie. Nu evenwel deze wijze van uitdrukking meer dan eens wordt gevolgd, schijnt het ook waarschijnlijker, dat men het inderdaad noodig vond het een naast het ander te noemen.

3 Geheel eensgezind was men echter reeds niet onder het oude recht. Tegenover de Romanisten, die de kwijtschelding als contract opvatten, stonden sommige aanhangers van het natuurrecht, die eenzijdige afstand mogelijk achtten. (Zie TouEEiER VII, § 321).

Sluiten