Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Iets meer belang heeft art. 1475, dat aan het teruggeven van een onderhands opgemaakte1 schuldbekentenis het vermoeden van kwijtschelding verbindt. Hier wordt dat vermoeden vastgeknoopt aan het vrijwillig teruggeven door den crediteur. Het enkele feit, dat de debiteur zijn schuldbekentenis weer in handen heeft en aan den rechter over legt, is dus, zoo is men geneigd te zeggen, niet voldoende. Dat is juist, doch daaruit volgt niet, dat de debiteur nu bovendien zal moeten bewijzen, dat hij het door vrijwillige teruggave weer in zijn bezit heeft verkregen. Want ons bewijsrecht huldigt in de praktijk algemeen den stelregel, dat wie een bewijsstuk in handen heeft, geacht wordt dat, behoudens tegenbewijs, langs regelmatigen weg te hebben verkregen. De crediteur zal dus moeten bewijzen, dat het stuk niet langs rechtmatigen weg in handen van den debiteur is gekomen.

Mag de crediteur ook bewijzen, dat hij het stuk wel vrijwillig aan den debiteur heeft ter hand gesteld, doch niet om zich aan het bewijsmiddel van het bestaan der schuld te ontdoen? 2 Ik zie geen reden tot een ontkennende beantwoording.3

Een eenigszins twijfelachtig geval wordt ten slotte in art. 1479 geregeld. Een borg betaalt een som geld aan den crediteur en ontvangt daartegenover, al dan niet in den vorm van een quitantie, de verklaring, dat hij niet verder zal worden aangesproken. Dat kan tweeërlei beteekenen. Vaak zullen zeker de crediteur en de borg hebben bedoeld, dat de betaalde som een geheele of gedeeltelijke afbetaling van de hoofdschuld zou zijn, in welk geval de betaling ook den hoofdschuldenaar en eventueele medeborgen bevrijdt. Doch het kan ook zijn, dat het den borg slechts er om te doen is van zijn borgtocht ontslagen te worden en dat hij den schuldeischer, door betaling van een som geld, beweegt hem te ontslaan en genoegen te nemen met de, aldus minder zekerheid biedende, vordering op den hoofdschuldenaar en de andere borgen. De borg kocht m. a. w. zijn vrijheid. Is dat de strekking geweest van de transactie tusschen den borg en den schuldeischer,

1 Indien een schuldbekentenis bij authentieke acte is opgemaakt, heeft de overgave (van terug geven kan men hier eigenlijk niet spieken) van het, den crediteur verstrekte, afschrift (de z.g. grosse) niet dezelfde beteekenis. Zie Voorduin V, blz. 123.

2 B.v. de crediteur geeft den schuldenaar het stuk even in handen om dezen van het bedrag der schuld te overtuigen.

3 Zie ook arrest H. R. 13 Dec. 1872, W. 3542.

Sluiten