Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

nietigheid tegelijk voor te dragen1 een maatregel, die beoogt, dat in één prcoes alles tegelijk wordt behandeld.

Ben andere eisch aangaande het instellen der vordering tot nietigverklaring wordt gesteld door art. 1490. Die instelling moet geschieden binnen vijf jaren na de daar, voor de verschillende gevallen van nietigheid, aangegeven tijdstippen.2 Veel verschil heerscht over de vraag of dit een verjaringstermijn is, dan wel een vervaltermijn.3 Naar mijne meening dient men overal, waar niet bepaaldelijk aan verval blijkt te zijn gedacht, in zulke termijnen verjaringen te zien. 4 In dit geval komt nog daarbij, dat de ontwerpers van den CC, welks art. 1304 de grondslag is van ons art. 1490, er slechts op wezen, dat t. a. v. den duur van den termijn een verschil bestond met het oude recht, terwijl wel vaststaat, dat men onder de oude bedeeling alleen aan verjaring heeft gedacht. 5 Ten slotte bewijst art. 1363, dat men in het laten verloopen van den hier bedoelden termijn een stilzwijgende bekrachtiging of afstand van recht heeft te zien, een opvatting, die zeker eerder verklaarbaar is bij verjaring dan bij verval, waar het algemeen belang op den voorgrond staat.

Ten einde dengene, die de nietigverklaring kan vorderen, niet

1 Het slot maakt een uitzondering voor het geval de tegenpartij oorzaak is, dat een grond voor vernietigbaarheid niet eerder kon worden aangevoerd. Dat zal b.v. het geval zijn, indien bij het instellen van den eisch door den minderjarige nog niet ontdekt was, dat deze tevens was bedrogen.

2 Het tijdstip, waarop de termijn ingeval van minderjarigheid of curateele begint te loopen is gesteld op den dag, waarop de onbekwaamheid ophoudt. Het is duidelijk dat hier gedacht is aan een vordering, ingesteld door den voormaligen onbekwame zelf, tot nietigverklaring van hetgeen hij tijdens de periode, waarin hij onbekwaam was, mocht hebben gedaan. Deze bepaling belet daarom ook niet, dat nog tijdens het bestaan der onbekwaamheid, de wettige vertegenwoordiger een vordering tot nietigverklaring instelt. Zie H. R. 28 Juni 1901, W. 7622 en rb. Amsterdam 23 Juni 1843, R. Bijbl. VI, 334. Voor de getrouwde vrouw zie men art. 171. Zij kan öf zelf, met bijstand van den man, optreden, óf wordt door den man ex art. 160 vertegenwoordigd. Ook kan de man echter uit eigen hoofde optreden.

3 Zie LichTEnauer, De vernietigende verjaring en aanverwante rechtsfiguren (1932) blz. 132 e. v. en Opzoomer VII, blz. 320 e. v. Over het verschil tusschen verval en verjaring, zie men de volgende afdeeling, die over de verjaring handelt.

4 Deze zienswijze zal nader worden geadstrueerd in de volgende afdeeling.

5 Lichtenauer blz. 62—64.

Sluiten