Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

te dwingen ook dan een daartoe strekkend proces te beginnen, indien de crediteur stil zit, is ten slotte bepaald, dat de termijn van vijfjaar niet geldt, indien het beroep op nietigheid bij wijze van verdediging wordt voorgedragen. De debiteur kan dus afwachten, of inderdaad de crediteur zijn vermeende rechten zal willen uitoefenen. Deze eenvoudige bepaling 1 heeft echter in de toepassing moeilijkheid veroorzaakt. Want wel erkent de H. R., dat zij een beroep op de vernietigbaarheid der handeling als verweermiddel toelaat, zoodat een vordering in reconventie niet behoeft te worden ingesteld 2, doch tegelijkertijd bleef de Hooge Raad vasthouden aan den in art. 1485 gestelden eisch, dat een vordering tot nietigverklaring moet worden ingesteld, zal de rechter deze kunnen uitspreken.3 Deze tegenstrijdigheid meende de H. R. op te lossen, door wèl toe te staan, dat een beroep op dwaling enz. als verweermiddel werd voorgedragen, doch tegelijkertijd te vorderen, dat bij het voordragen van dit verweer aan den rechter werd verzocht op dien grond de overeenkomst te vernietigen. 4

Het is dus niet voldoende, dat de gedaagde zegt: „ik heb de overeenkomst in dwaling gesloten", hij zal er bij moeten voegen, dat hij den rechter daarom verzoekt deze te vernietigen en daarop den eisch af te wijzen. Terecht is er op gewezen 5, dat dit niets is dan het invoeren van een nutteloos formalisme.

1 Zij is niets dan een toepassing van het oude adagium: quae sunt temporalia ad agendum, perpetua sunt ad excipiendum. Hoewel in art. 1304 C. C. een bepaling als het laatste lid van art. 1490 ontbreekt, aarzelt de Fransche jurisprudentie dan ook niet op een bij wijze van verdediging gedaan beroep op de vernietigbaarheid van het contract de termijnbepaling van dat artikel niet toepasselijk te achten.

2 Arrest 28 April 1925, W. 10747, N- J- 1927, 751. Ook in dat van 4 Nov. 1927, W. 11738, N. J. 1927, 1565. Het kan ook moeilijk anders, want ware een vordering in reconventie noodig, dan zou op deze vordering, die een, in theorie, zelfstandig geding inleidt, de termijnbepaling van art. 1490 ie lid weer toepasselijk zijn.

3 Alsof het niet juist de vraag ware of niet art. 1490 laatste lid met dien eisch brak!

*f Arrest van 4 Nov. 1927, W. 10747; N. J. 1927, 1565.

5 Door Star Busmann en Meyers in hunne noten onder het arrest. Meyers weerlegt tevens het beroep op de historie, dat de H. R. meende te mogen doen. Ook Eggens in W. P. N. R. bestrijdt de opvatting van den H. R. Hofmann, die op blz. 369 het arrest eveneens bestrijdt, meent, dat het slechts op de in art. 1485 genoemde gevallen van vernietigbaarheid betrekking heeft en dat H. R. t. a. v. een beroep op onbe-

v. Brakel, Verbintenissenrecht. 16

Sluiten