Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 104- Wat is nu die verjaring, die dan toch als een echte „wijze van te niet gaan" van verbintenissen moet worden beschouwd? Naar ik meen, kan men hare werking definieeren door te zeggen, dat een verbintenis te niet gaat, indien de crediteur, hoewel tot uitoefening van zijn rechten in staat, gedurende een door de wet bepaalden tijd dit nalaat. De bespreking van verschillende punten, welke hier nader behandeld worden, zal, naar ik vertrouw, de juistheid dezer definitie nader in het licht stellen. Te voren echter nog een woord over de vraag, wat eigenlijk de grondslag en rechtvaardiging dezer rechtsinstelling is.

Men geeft daarop in hoofdzaak vier antwoorden: i°. de eisch van rechtszekerheid, welke leidt tot de conclusie, dat wat gedurende geruimen tijd ongestoord bestaan heeft, niet meer veranderd mag worden, 2° het in het stilzitten van den crediteur gelegen vermoeden, dat hij den bestaanden toestand goedkeurt, v. z. v. noodig door afstand te doen van zijn recht; 3° bestraffing van het stilzitten van den crediteur1, 4° bescherming van den debiteur, die mogelijk ten volle aan zijn verplichtingen heeft voldaan, doch zóóveel later daarvan moeilijk bewijs zal kunnen leveren. Vermoedelijk hebben al deze motieven min of meer bewust en met verschillenden graad van intensiteit geleid tot de erkenning van de vernietigende kracht der verjaring. Men ziet in onze wet beurtelings de verschillende motieven doorschemeren.

het proces volgens het Nederlandsche recht, beantwoordde aan het door Suyijng geschetste beeld. Een poging daartoe is gedaan door Suyling'S leerling Mr. P. Meyes in Themis 1931. Daar tegenover zie men echter de zeer juiste kritiek van B. M. Teeders in W. P. N. R. 3198 (vgl. ook n°. 3205E Met ons recht schijnt Suyeing's theorie, ook mi], bezwaarlijk vereenigbaar. Merkwaardig is de natuurrechtelijke inslag in deze beschouwingen. Zoo erkent Mr. MEYES (blz. 27), dat volgens onze wet niet de overheid, doch de crediteur executeert, nadat deze een daarvoor vatbaren titel heeft verkregen. Een geheele reeks kunstige redeneeringen zijn dan noodig om dit feit met de publiekrechtelijke theorie te verzoenen. Waarom dan niet erkend, dat onze wet die publiekrechtelijke theorie niet kent? Blijkbaar omdat zij het niet voor verdere discussie vatbare uitgangspunt van den schrijver is.

1 Een straf kan het alleen zijn, indien er voor den crediteur een plicht tot ageeren wordt aangenomen. Deze opvatting schijnt mij van al de aangevoerde motieven daarom wel het zwakste. Wil men die plicht tot ageeren aannemen in het belang van den debiteur, dan valt dit motief samen met het volgende.

Sluiten