Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

§ 195- Om de rechtsgevolgen der vernietigende verjaring te doen intreden, is niets anders noodig dan ongestoord, ononderbroken, tijdsverloop. Met name is goede trouw bij den debiteur, die op deze wijze bevrijd wordt, niet vereischt (art. 2004). Evenmin helpt het den crediteur, dat hij, mogelijk door zeer lofwaardige motieven geleid, op het plichtsgevoel van zijn debiteur vertrouwde of ook, dat hij in dwaling verkeerde over het bestaan of den datum van ontstaan van zijn vorderingsrecht. Is de door de wet genoemde tijd verloopen, dan is, behoudens de te bespreken uitzonderingen, daardoor de verbintenis te niet gegaan, evengoed alsof zij betaald ware 1.

§ 196. Art. 2027 2, zegt, dat de verjaring t. a. v. een van een opschortende voorwaarde afhankelijke verbintenis niet loopt voor die voorwaarde is vervuld. Is een tijdsbepaling 3 aan de verbintenis verbonden, dan vangt de verjaringstermijn eerst met den vervaldag aan. Beide bepalingen zijn toepassingen van het oude rechtsadagium: actioni nondum natae non praescribitur. Zij berusten op het in de definitie aangegeven denkbeeld, dat de crediteur in staat moet zijn geweest zijn rechten uit te oefenen, zullen zij door tijdsverloop te niet gaan. De wet bepaalt verder (art. 2024), dat ook minderjarigheid of curateele van den crediteur een beletsel zijn tegen het aanvangen van den verjaringstermijn. Blijkbaar heeft men zich bij het opnemen dezer artikelen zeer onvoldoende rekenschap gegeven van wat men deed. Want al kunnen deze incapabelen niet zelf ageeren, hun wettelijke vertegenwoordigers kunnen en moeten dit zeer zeker doen. Dat zij ook niet aanvangt te loopen tusschen eehtgenooten zoolang het huwelijk bestaat (art. 2025) is daarentegen toe te juichen. Een andere regeling zou tot onnoodige verstoring van den gezinsvrede leiden.

De getrouwde vrouw wordt hier, in afwijking van wat anders meestal het geval is, niet met andere handelings-onbekwamen gelijk gesteld. Tegen haar loopt de verjaring wèl.

1 Men zegt ook wel, dat de vernietigende verjaring is zij eenmaal ingetreden, terugwerkende kracht heeft.

2 Dat ten onrechte in de vierde afdeeling is geplaatst, daar het niet een geval van schorsing behandelt, doch het aanvangspunt der verjaring regelt.

3 N.1. een tijdsbepaling in het belang van den debiteur of van crediteur en debiteur tegelijk gemaakt.

Sluiten