Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Met het bijeengebrachte geld ging Saul de stad in om de wegen te zoeken waarlangs men op de allergoedkoopste wijze aan paarden- en muildierenvleesch kon komen. Een slachter, die het goed met hem meende, gaf hem den raad, oude knollen op te koopen, die alleen door hun vel nog waarde hadden. De leeuwen zouden toch wel zoo precies niet kijken en als hij de huid dan later weer aan een looier verkocht, vraten zijn dieren haast voor niets. Verder kon men goedkoop aan ossen-, kalveren- en geitenkoppen komen... hij moest nog maar eens met een paar andere slachters praten.

Na het resultaat van dezen eersten speurtocht rekende Saul uit, dat hij de leeuwen vier tot vijf dagen zou kunnen voederen. De leeuwen. De menschen deden zich reeds thans te kort. De kameelen voerde men zoo spaarzaam mogehjk met de door een bakker afgestane broodresten. Stilzwijgend had men de zorg voor deze weinig eischende dieren ook nog op zich genomen. Zoo verwierf men tevens een zeker recht op hen... een recht, waarvan men misschien nog eenmaal een droef gebruik zou kunnen maken. De crediteuren beschouwden de kameelen sedert de veiling als waardeloos en heten zich niets meer aan de dieren gelegen liggen.

Als een goed veldheer verscherpte Saul in dezen moeilijken tijd de dagorde. Zijn mannen vroegen niet anders. Eiken ochtend werden de leeuwen in de centrale kooi gelaten, en Saul repeteerde met hen. De oppassers maakten in dien tijd de hokken schoon. Eigenlijk hadden de dieren stroo moeten hebben, maar het was er niet; gelukkig waren ze nu al aan de wat frisschere temperatuur gewend, en de nachtvorst bleef voorloopig uit...

Sluiten