Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

wijn konden gaan drinken en anderen nog vrijhouden ook, beklaagden hem; zij voelden wel hoezeer ze boven hem bevoorrecht waren.

Toen kapitein Olavson den bodem van zijn portemonnaie ging zien, overwon hij zijn schaamte en zocht nog eens den jongen Napolitaanschen advocaat op, die hem reeds eenmaal aan een emplooi geholpen had. Het wachtkamertje was vol, maar kapitein Olavson had gelukkig den tijd aan zich. Toen hij dan eindelijk aan de beurt kwam en met gebogen hoofd tegenover het jeugdige ventje zat, van wien hij voor de tweede maal redding verwachtte, vond hij slechts moeilijk de woorden om er zijn bitteren nood in te kleeden. Rambaldo beloofde zijn best te zullen doen. Hier in Napels ging het natuurlijk niet meer... hoogstens in Palermo, of Rome... maar ook in Italië schenen de tijden er nu niet beter op te willen worden. Kapitein Olavson knikte. Hij vond alles volkomen in orde. De wereld schoof naar den afgrond, en daarbij schoof hij slechts wat sneller dan een ander, die zich krachtiger weerde. Wat suf glimlachend staarde hij naar het groote cijfer van een opengeslagen kalenderblok op de schrijftafel; daarna verhief hij zich. Hij voelde, dat het een onrecht was, den tijd in beslag te komen nemen van een jongeman, wien de dag nog zoo belangrijk was, dat hij 'm met cijfer en al steeds onder de oogen moest hebben. Dat hij iemand, die nog aan dit leven geloofde, niet met zijn zorgen en redeloozen doodsangst mocht komen verdrieten.

Palermo... Rome... dat was immers alles veel te ver weg. En in Napels was geen kans meer op een engagement...

Sluiten