Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

XVII

HET volk van Napels gaf. Het gaf met gulle handen, in sommige gevallen veel meer dan men van zijn armoede verwachten mocht. Onbegrijpelijk wat deze stad opleverde aan stokoude, brandmagere paardjes en ezels waarvan de huid niet meer gelooid hoefde te worden, aan jichtige, stokkerige geitebokken met een eerbiedwaardigen zilvergrijzen ouderdomsbaard. Het volk van Napels, dat veel beter wist wat leeuwen toekwam dan Saul gedacht had, bracht stroo en zaagsel, vleescb-afval en heerlijke botten. Het informeerde wat de kameelen graag lustten en kwam toen met hooi en meelkoeken aandragen; het zag de zeeleeuwen van kapitein Olavson en bracht een overvloed van levende en doode visch; de zeeleeuwen namen spoedig nog slechts de levende en daarvan de smakelijkste; de rest bleef liggen en begon in de Napelsche zon spoedig te bederven. Om het kamp woei de lucht van bloed en darmen en rottende visch, maar dieren en menschen snoven haar gaarne in: het waren de dagen des overvloeds.

Natuurlijk verlangden de schenkers er nu ook bij te mogen zijn wanneer de dieren gevoederd werden; ze wilden den leeuwen graag zelf een stuk vleesch in het hok werpen. En dat was wel het minste wat men hun

Sluiten