Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

den in Syrië en Perzië levenden bezoarbok (Capra aegagrus, door de Perzen pazén en door de Portugeezen pazam genoemd).

Pathologisch zijn de bezoarsteenen te beschouwen als ziekelijke afscheidingen. Zij bevatten in het centrum een holte, waarin zich een of ander onverteerbaar vreemd Voorwerp (stukje hout, steentje, enz.) bevindt, dat als de oorzaak voor de vorming van den steen kan worden beschouwd. Niet zelden vindt men meerdere steenen in de maag van hetzelfde dier, dat dan gewoonlijk zeer in zijn bewegingen belemmerd en een gemakkelijke prooi voor de jacht wordt.

Men vindt den bezoar het eerst bij de Arabische en Perzische schrijvers vermeld. Het uitvoerigste bericht omtrent zijn ontstaan danken we aan Tifashi (f 1253). Volgens het zonderlinge door hem opgedischte verhaal zou de steen zich vormen als de bezoarbok te veel giftslangen verorberd heeft. Om tegen het branden der inwendige verwondingen afkoeling te zoeken, stort het dier zich tot aan den kop in het water. Er stijgt dan een fijne damp bij de ooghoeken naar buiten, welke zich daar verdicht. Herhaalt dit gebeuren zich eenige malen, dan vormen zich op die plaats uit concentrische lagen bestaande stolsels, die door hun gewicht tenslotte vanzelf afvallen. Tifashi zelf houdt echter het ontstaan van den bezoar in de galblaas voor zeker, daar de echte steen, naar hij zegt, een bitteren smaak heeft.1)

In het aan een pseudo-Aristoteles toegeschreven Arabisch werk Kitab al-Ahdjar (d.i. „Steenenboek"), dat zeker vóór de 9e en wellicht uit de 7e eeuw dag teekent, wordt de hooggeroemde giftwerende eigenschap van den bezoar toegeschreven aan zijn sterk zweetuitdrijvend vermogen. De werking der giften — zóó heet het daar — bestaat bij den mensch daarin, dat zij het bloed tot stolling brengen, zoodoende de uitgangen der levensgeesten, verstoppen en zich ten slotte over het geheele lichaam uitbreiden, zooals olie zich uitbreidt op het water. De bezoar zou dit proces tegen gaan en het gift door een sterken zweetvloed het lichaam uitdrijven. 2)

1) Dr. H. Fühner: Bezoarsteine, Janus, dl. 6, 1901, p. 353 vg. Het is wel opmerkelijk, dat men ditzelfde fabeltje reeds in de Historia Naturalis van Plinius (32-—79 n. Chr.) terugvindt en dat het 15 eeuwen later opnieuw wordt opgediend door den Gentschen geneesheer Balduinus Ronsseus om het ontstaan der Z.g. „hertentranen" (Lachryma cervi) te verklaren, een middel, dat in onze oud-vaderlandsche apotheken onder de z.g. bezoardica niet mocht ontbreken. (Zie Dr. M. A. van Andel t.a.p. blz. 119).

s) Dr. J. Ruska: Das Steinbuch des Aristoteles, 1912, p. 147 vg.

Sluiten