Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Prof. Wilken: „De bezoarsteen (is) in den Archipel veelal bekend onder den Maleischen naam van mustika, of guliga". en hij geeft dan een lang citaat-uit Rumphius' „Amboinsche Rariteitkamer", tot nadere omschrijving*). Ook Dr. Kruyt vangt zijn bespreking der bezoarsteenen in zijn werk over het Animisme aldus aan: „Het meest onvervalschte en typische beeld van een fetis vormen de zoogenaamde bezoarsteenen in den Indischen Archipeh hekend onder den Maleischen naam van mustika, of guliga" — waarna hij ter kenschetsing dezer voorwerpen, op het voorbeeld van Prof. Wilken. dezelfde aanhaling van Rumphius laat volgen. 2)

Dit lezende, zou men allicht meenen, dat, ook naar het inzicht van Rumphius. de moestika's en de goeliga's gelijksoortige producten zijn en tot de bezoarsteenen dienen te worden gerekend. Toch is dit geenszins het geval.

Volgens hem is de mestica (lees: moestika) een steentje, dat, bij wijze van speling in de natuur, voortgebracht is op een plaats, waar die natuur ze anders niet formeert, ea hij verklaart nadrukkelijk dat hieronder niet worden verstaan de steenen, gevormd in het menschelijk- of dierlijk organisme (zooals galsteen en, blaassteenen, niersteenen), noch de bezoarsteenen, noch de steenen, welke sommige dieren (zooals krokodillen, enz.) plegen inite slikken. Als voorbeelden van moesfïAra's noemt hij dan de steenachtige verhardingen „in 't vleesch, herzenen, vet, en aan de beenderen der dieren, in "t zuivere hout, en in de vruchten van zommige planten." 8)

Verder schrijft hij: „alle zulke medecynale steenen, die men wrijven en innemen kan, worden niet onder de Mesticae (lees: moestika's) gerekent, maar van de Maleiers eigentlijk Culiga (lees: goeliga) genaamt." *) Van deze goeliga's noemt hij alleen de Culiga landa (lees: goeliga landak) en de Culiga kaka (lees: goeliga kera). de eenige typen van bezoarsteenen dus, die in den Archipel inheemsch zijn

Rumphius maakt dus wel degelijk onderscheid tusschen beide klassen van steenen. Het verschil bestaat volgens hem vooral hierin, dat de moestika's verondersteld worden eenvoudige spelingen der natuur te zijn, terwijl de bezoarsteenen (goeliga's) pathologische vormingen aanduiden. 6)

*) Dr. G. A. Wilken, Verspreide geschriften, dl. III, 1912, p. 154.

2) Dr. A. C. Kruyt, Het Animisme in den Indischen Archipel, 1906, p. 201 vg.

3) GE. Rumphius, t.a.p., blz. 291.

4) G. E. Rumphius, t.a.p., blz. 297. B) G. E. Rumphius, ta.p., blz. 291.

Sluiten