Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Of het door Rumphius gemaakte onderscheid, ook naar de hedendaagsche opvatting der Inlanders, inderdaad bestaat, moeten wij in het midden laten. In de min of meer 'Vluchtige berichten uit de litteratuur, waarin over deze dingen wordt gerept, worden de namen moestika en goeliga veelal dooreen genoemd, en de verschillende woordenboeken, die op dit punt zeer uiteenloopen, geven niet veel anders, dan tot verwarring aanleiding gevende definities.

Het lijkt het meest waarschijnlijk, dat elke steenachtige verharding, welke op een ongewone plaats ontstaat en als amulet wordt gebruikt, volgens de begrippen onzer Archipelbewoners, een moestika is. Naar die opvatting hééft dus ook een als amulet dienende echte bezoar geheel het karakter van een moestika. Zoo vermeldt Dr. Kruyt bijv., dat de Toradja's hun jachthonden moedig en geschikt voor de varkensjacht maken door een stukje van een bezoarsteen, afkomstig Uit de maag van een wild varken, met hun voedsel te vermengen. *)

Maar lang niet elke moestika is een bezoar (maagsteen); het eerste woord vertegenwoordigt een veel ruimer begrip dan het tweede. Het schijnt dus niet juist, deze vormingen in één adem te noemen, alsof zij volkomen gelijkwaardige producten zouden zijn.

Voorop dient gesteld, dat in de oude geneeskunde het begrip „bezoarsteen" vrij duidelijk is begrensd. De classieke bezoarsteen was, gelijk gezegd, de Lapis bezoar Orientalis. In ruimeren zin opgevat, werden onder dien term ook begrepen de harde concrementen, die zich in de ingewanden van sommige andere dieren gevormd hebben, voorzoover men hierin dezelfde eigenschappen meende te herkennen, die men in den Oosterschen steen had waargenomen, in het bijzonder diens voornaamste kenmerk van werkzaam te zijn tegen giften.

De moestika's daartegenover zijn, gelijk Rumphius opmerkt, steenachtige verhardingen, die overal kunnen worden gevormd, dus ook in het hout van boomen, in vruchten, in den grond (fossielen en steenen van ongewonen vorm), enz.

Hebben wij aangaande de bezoarsteenen een overstelpende litteratuur, die tot in de oudheid opklimt, aangaande de moestika's en goeliga's zijn wij nog steeds uitsluitend aangewezen op den reeds zoo vaak aangehaalden statigen foliant van „den blinden ziener van Ambon", waarvan de eerste uitgave in 1705 verscheen — en

*) Dr. N. Adriani en Dr. A. C. Kruyt: De Bare'e sprekende Toradja's, dl. II, 1912. p. 180.

Sluiten