Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

Wat voor concrementen hier bedoeld zijn zal, behalve voor de goedgeloovige bezitters en gebruikers ervan, die geen critiek van noode hebben, voorloopig nog wel een puzzle blijven.

Een ander, als moestika beschouwd, waardevol voorwerp, dat eveneens uit den kop van een rhinoceros afkomstig heet te zijn, is op Java de Menoer, of Malathi warak. Het Javaansche woordenboek van Gericke en Roorda omschrijft het, als een ivoorachtig knopjetusschen de snijtanden van het dier, zóó genoemd, omdat het in vorm en kleur gelijkt op een menoer-, of malat/u-bloem (Jasminum sambac L.). Dr. Van den Burg ziet hierin, een nog niet tot ontwikkeling gekomen melktand van een jong-, dan wel de Ja vorm teruggeblevea tand van een oud dier. Het afwrijfsel van zulk een rhinocerostand (oentoe warak) dient, met water vermengd, als tegengift. Wordt een menoer als siersteen in een vingerring (soepé menoer) gezet en in water gedoopt, dan vormt zich een drankje, dat goed is tegen bloedspuwing. Bij wijze van collier (kaloeng oentoening warak) gedragen, vrijwaart de tand den drager tegen de kwade gevolgen van vergiftige steken of beten van duizendpootenf klabang) en schorpioenen (kaladjengking).

Maar vooral wordt op den neushoorn — speciaal op het eenhoornige dier, den Rhinoceros sondaicus, Desm. — door onze bruine broeders jacht gemaakt, om het meest waardevolle product, dat zijn kop levert, nl. den op den neusrug gegroeiden „hoorn" (Jav. tjoela warak. Mal. tjoela badak, Minangkab soengoe badak, Atj. soemboe badeuëk, enz.) die niet als de hoorns der herkauwers uit been, maar uit verhoornde opperhuid gevormd is.

Nog heden wordt deze hoorn, evenzoo goed als voorheen, in een groot deel van Azië. als een bijzonder krachtig tegengift beschouwd. Reeds ruim drie eeuwen geleden schreef Van Linschoten in zijn op p. 11 genoemd reisverhaal: „Oock in dit Coninghrijck van Bengalen werden ghevonden bij menichten die Beesten, diemen op Latijn Rhinocerotes, ende vande Portugesen Abadas (v. Mal. badak), wiens Hoorn, Tanden, Vleesch, Bloet, Clauwen, ende alle wat hij aen ende ia heeft, is teghen 't fenijn..... en is goet ende warachtigh, als ick selver in sommighe dingen bij experientie gevonden hebbe." 2) Ook onze voorvaderen schreven vroeger aan

1) Dr. C. L. v. d. Burg, De geneesheer in Ned. Indië, dl. III, 1885, p. 211: J. Koebel, Amulettes Javanaises, Tijdschr. Bat. Gen., dl. 40, 1898, p. 502 vg. 9) Itinerario, ta.p., blz. 66 vg. en p. 207.

Sluiten