Onderstaande tekst is niet 100% betrouwbaar

De toegang naar den vrij eenvoudigen hoofdingang van het slot was door een laag poortgebouw, de z.g. voorpoort, waarnaar een breede oprij weg voerde over een groote houten valbrug, die over de slotgracht was gelegen. Door dien hoofdtoegang kwam men op een open binnenhof, waaraan de verschillende gebouwen grensden.

Ter linkerzijde van het slot waren de boerderij en de stallen gelegen en de verdere bijbehoorende gronden.

Het geheel had, door zijn grondvorm, door zijn afwisselende hooge daken, door zijn torens, niet alleen een mooi silhouet, maar ook een bijzonder voornaam karakter. Zeer te betreuren is het, dat zooiets gesloopt is geworden.

Het slot is na de heeren van Putten, in het bezit van verschillende aanzienlijke geslachten gekomen, men beweert ook dat het tot verblijf der graven van Holland heeft gediend, wanneer zij in deze omgeving ter valkenjacht togen. De laatste eigenaar was de schout van Poortugaal, Pieter Johan Tijke, wiens nabestaanden het slot voor afbraak verkochten aan eenen Sablée te Haarlem, die het in 1826—1828 liet sloopen. Verschillende gebouwen en schuren zijn in den wijden omtrek nog gedeeltelijk opgetrokken van de na de afbraak overgebleven reuzenmoppen.

In Maart 1927 werd bij het graven van een sloot op het terrein van het voormalig slot een zandsteenen gevelsteen gevonden met het onderstaande opschrift:

De letters, die een zuiver Romeinsch karakter vertoonen, geven den Godvruchtigen wensch te kennen: „Juva conatus meos Jehova"! hetwelk vertaald luidt: „Heere help mijne pogingen"!

Het steentje wordt bij den burgemeester van Poortugaal zorgvuldig bewaard. Misschien zouden door onderzoek van de oude fundamenten, nog meer gegevens aan het licht gebracht kunnen

worden, die in den grond verborgen zijn.

Langs de oostzijde van het Valkensteinscheblok, nabij de plaats waar het slot stond, zijn voor eenige jaren verschillende allerleelijkste woonhuisjes gebouwd, waardoor in

Sluiten